Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/73

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

man tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet, dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden, ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij, wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg. Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun toedragen.

Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan, en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen, de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten, als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen; want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande boomen — niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier, dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun tegenwoordigheid van geest, die zij nooit verliezen. Zonder overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens kan ze overmeesteren.

In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten; wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen, komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben. Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw laten hooren.