bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is; bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden. Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te vervullen.
Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. “Een geloofwaardig man,” zegt kapitein {[sc|Johnson}}, “verhaalde mij, dat de eerbied van de inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den Hanoeman (p. 26). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.”
Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in gevaar.
Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de geschiedenis van Lady Sjabloon:S’s eerste groote diner te Simla. Lady Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde, ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde heerlijkheden. — Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje “Fury” leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in een afgrond stortte. Zoo vond de arme “Fury” door de wraak der Apen een vroegtijdigen dood.
De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur. Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd.
Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien, is de