Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/87

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gewent, zich zonder moeite tot allerlei kunstverrichtingen laat dresseeren, en, ondanks slechte behandeling, met groote trouw aan zijn meester hangt. Het wijfje is zachtaardiger en lieftalliger dan het mannetje, dat dikwijls kuren en onhebbelijkheden toont zelfs tegenover zijn meester, terwijl het wijfje met dezen op een zeer vertrouwelijken voet verkeert.

De eerste Baboeïn, dien ik bezat, werd Perro genoemd. Het was een aardige, vroolijke Aap, die reeds na 3 dagen geheel aan mij gewoon was geraakt. Ik stelde hem als deurwachter aan, door hem vast te leggen aan een plek boven onze tuindeur. Hier had hij zich spoedig een geschikt plaatsje uitgekozen, van waar hij de deur op de zorgvuldigste wijze bewaakte.

Gewone Baviaan of Baboeïn (Cynocephalus babuin). ¼ v.d. ware grootte.


Alleen wij en onze kennissen mochten binnengaan; aan onbekenden werd standvastig de toegang ontzegd; daarbij stelde hij zich zoo woest aan, dat hij altijd vastgehouden moest worden, tot de bedoelde persoon binnengetreden was, dien hij anders als een dollen Hond aangevlogen zou hebben. Bij elke opwinding toonde hij zich een Baviaan van top tot teen, met alle gebruiken en gewoonten, eigenschappen en onhebbelijkheden van de leden van dit geslacht, welker gebaren over ’t geheel een zeer groote overeenstemming vertoonen. Als hij toornig was, stak hij den staart omhoog, en, op de beide achterste ledematen en één hand rustend, sloeg hij met de andere hand heftig op den grond, zooals een woedend mensch op de tafel slaat, zonder evenwel den vuist te ballen, gelijk deze doet. Zijne oogen fonkelden en schitterden; hij liet een gillend geschreeuw hooren en schoot woe-