Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/92

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het knorren en krijschen van een talrijke kudde Zwijnen vergelijken. Daartusschen verneemt men klanken, die soms herinneren aan het doffe gebrul van den Luipaard, soms aan het zware gebrom van een stier, die voor de veiligheid van zijn gezin bezorgd is. Het geheele gezelschap brult, bromt, blaft, schreeuwt, knort en krijscht ordeloos dooreen. Alle voor den strijd geschikte mannetjes begeven zich naar den rand van de rots, en kijken oplettend naar beneden in het dal om het gevaar nauwkeuriger te leeren kennen; de jongen zoeken bescherming bij de ouderen; de kleinen gaan aan de borst van de moeder hangen, of klimmen ook wel op haar rug; de geheele troep stelt zich in beweging, en snelt, op alle vier loopend en springend, heen.

Voor de inboorlingen gevoelt de Hamadryas zoo goed als geen vrees. Hij trekt, zonder zich te bekommeren om de bruine menschen, hen op korten afstand voorbij, en drinkt met hen uit dezelfde beek. Een blanke boezemt hem meer wantrouwen in; ofschoon het overdreven zou zijn te beweren, dat de Apen hem schuw ontvluchten. Meer nog dan andere leden hunner familie toonen onze Bavianen de bedachtzame bedaardheid van iemand, die nooit naar een uitweg behoeft te zoeken, hoe nabij het gevaar ook moge zijn. Hun gelatenheid wordt echter op een harde proef gesteld, als zij Honden of, wat nog erger is, Luipaarden opmerken. Dan beginnen de oude mannetjes vreeselijk te brullen en te brommen, laten de tanden zien, en kijken met fonkelende oogen op de rustverstoorders neer, blijkbaar bereid om hen gemeenschappelijk aan te vallen.

De eerste bende, die ik ontmoette, was bezig uit te rusten van de morgenwandeling. Zij zat op den kant van een naar beide zijden tamelijk steil afhellenden rotskam. Van verre reeds had ik de hooge gestalten der mannetjes waargenomen; ik hield ze toen echter voor op den kam liggende steenklompen, want hiermede hebben onze Apen, zoolang zij stil zitten, een groote overeenkomst. Ik bemerkte mijn vergissing eerst, toen ik een geblaf hoorde, dat ongeveer geleek op den schel uitgeschreeuwden en eenige malen herhaalden klank “koek”. Alle mannelijke Apen keken naar ons; de jongen echter speelden nog onbezorgd; eenige wijfjes gaven hun lievelingsbedrijf nog niet op, maar zochten nog ijverig in de vacht van een ouden heer naar ongedierte. Waarschijnlijk zou het geheele gezelschap in deze onderzoekende houding gebleven zijn, als wij niet twee flinke, op avonturen beluste Honden bij ons hadden gehad: mooie, slanke Windhonden, gewoon om Hyaena’s uit hun leger te verdrijven, en zelfs beproefd in den strijd tegen den hier inheemschen Wolf. Toen zij het geschreeuw der Apen met geblaf beantwoordden, kwam dadelijk de geheele bende in opstand. Waarschijnlijk met de bedoeling om een nog veiliger verblijfplaats op te zoeken, trokken de Apen langs den kam af, en verdwenen voor onze blikken. Toch zagen wij tot onze verrassing bij de volgende ombuiging van het dal dat geheele bende voor ons, ditmaal tegen een schijnbaar loodrecht opstijgenden, zeer hoogen rotswand; op een mij thans nog onverklaarbare wijze kleefden zij als ’t ware aan de rotsen en vormden een lange reeks. Deze reeks kwam ons te aanlokkelijk voor, om haar rustig te laten zitten. De jachtlust werd ons te machtig. Van het medelijden, dat iederen jager bevangt, als hij kleine Apen jaagt of jagen wil, gevoelden wij in dit geval geen zweem; wij zagen in de Hamadryaden geen wezens, die op menschen gelijken, maar woedende, grimmige roofdieren, die niet verdienden gespaard te worden en voor het jachtvermaak in alle opzichten geschikt waren. Ongelukkig was de rotswand zoo hoog, dat wij niet zeker konden zijn een van de dieren te zullen treffen. Het ging echter niet aan, verder te trekken zonder de rust van het gezelschap te verstoren. De knal van het eerste schot had een onbeschrijfelijke uitwerking. Het werd door een razend gebrul, gehuil, gebrom, geblaf en gekrijsch beantwoord, waarna de geheele stoet in beweging geraakte, en over den rotswand verder golfde; dit geschiedde met zulk een zekerheid van beweging, alsof het gezelschap zich op den vlakken bodem bevond, hoewel wij niet konden begrijpen, hoe het mogelijk kon zijn, daar vasten voet te krijgen. Een smalle lijst werd, naar het schijnt, [39] door de Apen als een hoogst gemakkelijken weg beschouwd. Slechts op twee plaatsen bewoog de stoet zich langzamer en voorzichtiger; op een van deze moest hij omstreeks 3 M. ver afdalen en bijna evenveel weer omhoog klauteren. Wij losten ongeveer zes schoten; het was ons echter onmogelijk goed te mikken, onder andere ook omdat het schouwspel zoo verrassend was, dat wij de noodige kalmte niet konden behouden. Toch waren onze kogels nog goed genoeg gericht om den schrik der Apen tot ontsteltenis te doen toenemen. In de hoogste mate comisch was het te zien, hoe de geheele bende na ieder schot zich oogenblikkelijk aan de rots vastklemde, alsof het te vreezen was, dat zij door den schok reeds in de diepte zou worden gestort. Naar het scheen, werd geen hunner door onze kogels gekwetst. De schrik had hen echter blijkbaar overmeesterd; het kwam ons voor, dat zij de bedachtzaamheid, die hen gewoonlijk onderscheidt, geheel uit het oog verloren. Toen wij de volgende kromming van het dal bereikten, zagen wij den troep opnieuw, nu echter niet meer in de