Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/95

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

alles om zich heen, en werpt zich als zinneloos op zijn vijand. Een waarlijk duivelsche glans straalt dan uit de oogen van het wilde beest, dat met demonische kracht en boosaardigheid begaafd schijnt te zijn. Slechts één gedachte bezielt hem nu: hij wil zijn tegenstander verscheuren, en alles wat hem verhindert dit te doen, uit den weg ruimen. Hij bekommert zich niet in het minst om de zweep, zelfs niet om het blanke wapen. Zijn aanval is geen bewijs van stoutmoedigheid meer, maar van ware dolzinnigheid. De opzichters in een dierentuin hebben geen dier meer te vreezen dan een woedenden Mandril. De Leeuw en de Tijger zijn lammetjes bij hem vergeleken; zij schikken zich althans op een verstandige wijze in de omstandigheden; de Hamadryaden en andere Bavianen zijn nevens hem slechts kindertjes of stumpers.

Mandril of Boschduivel (Cynocephalus mormon). 1/10 v.d. ware grootte.


Over de aard der Mandrillen, die Pechuel-Loesche jaren lang te Tschintschotso op de Loango-kust heeft nagegaan, schrijft deze onderzoeker het volgende: “Wij hielden drie Mandrillen op ons erf; zij waren met touwen vastgemaakt aan staken, waarop hun woning stond; zij ontvluchtten niet, wanneer zij zich nu en dan in volle vrijheid mochten bewegen. Het waren echte Bavianen, vol list en sluwheid, ongemanierd, uitgelaten, altijd zinnend op kattekwaad, en wel bewust, dat zij ons met hunne handelingen vermaakten. Toch was bij alle drie een verschil in karakter op te merken. Pavy, een mannetje, was zeer lieftallig, vleiend en buitengewoon aan ons gehecht. Jack, een zwak wijfje, was een volleerde humorist, maakte gekheid met alle menschen (met uitzondering van vrouwen, daar zij aan dezen een hekel had), was echter niemand bijzonder genegen. Isabella, een zeer sterk wijfje, dat reeds geheel volwassen was, toen het ons geschonken werd, daar het wegens haar boosaardigheid