niet meer geduld kon worden in de factorij, waar het vroeger gehuisvest was, viel woedend op alle menschen aan, die in haar nabijheid kwamen, zonder op sekse, leeftijd of huidkleur te letten. Het duurde lang, voordat zij — door een doelmatige, vriendelijke behandeling tot kalmte gebracht — ons, Europeanen, althans niet meer als vijanden beschouwde. Haar karakter was bedorven: zij liet zich al het goede welgevallen, maar toonde geen erkentelijkheid er voor.”
”Pavy en Jack waren bijna zoo waakzaam als Honden. Op hunne hooge huisjes gezeten, keken zij oplettend rond; ongewone verschijnselen in de omgeving en het naderen van bezoekers kondigden zij altijd aan. Daar wij voor hen, evenals voor de andere huisdieren, van onze uitstapjes gaarne eenige zeer door hen gewaardeerde snoeperijen — lekkere vruchten, zoete grashalmen, bladen, Kevers, Sprinkhanen, enz. — medebrachten, hadden zij de gewoonte aangenomen, om onze terugkomst in spanning af te wachten, en ons reeds op een afstand van eenige honderden schreden met vroolijk kakelen en kraaien te begroeten, waarbij zij den kop op een grappige wijze naar boven staken, of de meest gewaagde kunstsprongen vertoonden. Zij deden dit nog veel meer, als wij hen aanriepen. Daar ook de Zwarte Baviaan zijn eigenaardige redevoering begon te houden, en de overige dieren (de Chimpanzees met hun oorverdoovend geschreeuw niet uitgezonderd) eveneens drukte begonnen te maken, zoodra zij onze stemmen vernamen, was het dikwijls, alsof ons geheele erf in opstand kwam.
“Het was voor mij een geheel nieuw verschijnsel, dat de Bavianen zich het een of ander levenloos voorwerp tot speelgoed uitkozen, en dit (op gelijke wijze als de kinderen hunne poppen naar bed medenemen) in hunne slaaphokken medevoerden en het hier ook overdag bewaarden. Zoo hield Isabella gedurende langen tijd zeer veel van een klein, blank, blikken doosje, Pavy van een krom stukje hout, dat hij onder de vroolijkste kapriolen van den bodem in de lucht liet springen, door er met de hand op te slaan. Eens vloog het te ver, zoodat Jack zich er meester van maakte. Hierover ontbrandde tusschen de beide Apen een grimmige vijandschap. Daar echter de lange lijnen waaraan de beide kampioenen vast lagen, zoo ingericht waren, dat zij niet bij elkander konden komen, schoot hun niets ander over, dan zoo dicht mogelijk bij elkander te gaan staan, de woedendste grimassen te maken en onderling te kijven. De plotseling uitgebarsten vijandschap bleef onverminderd voortduren, nadat ik Pavy zijn houtje teruggegeven had. Later vermaakte hij zich ook zeer lief met een geweerkogel. Jack daarentegen had een hartstocht opgevat voor mijn insolatie-thermometer: als hij vrijgelaten werd, en wist, dat men niet naar hem keek, sprong hij op dit voorwerp toe en nam het weg. Hij had blijkbaar schik in het glinsteren van het glas, ging er echter zoo zorgvuldig mede om, dat het instrument geen schade leed, zelfs als hij het medegenomen had boven in een boom of op een dak, en het hem afgevleid moest worden.”
Een der meest afwijkende soorten van het geheele geslacht en tevens een der fraaiste Apen, is de Nilbandar, Schiabander, Wanderoe enz. van de Indiërs, onze Zwarte Baard-Aap (Cynocephalus silenus). Hij is gekenmerkt door den gedrongen lichaamsbouw, door een zwaren ringbaard, die het geheele aangezicht omsluit, en door een middelmatig langen, in een kwast eindigenden staart. De zeer dichte, langharige vacht is glanzig zwart, aan de onderzijde licht bruinachtig grijs; de bij wijze van manen verlengde ringbaard daarentegen is wit, gedurende de jeugd grijsachtig; de handen en voeten zijn dof van kleur; de goedaardige oogen hebben een bruin regenboogvlies. In volwassen toestand is deze Aap iets minder dan 1 M. lang.
Over het vaderland van den Baard-Aap heeft men tot in den laatsten tijd in dwaling verkeerd, daar men meestal Ceylon hiervoor gehouden heeft. Volgens latere berichten is het dier niet op het genoemde eiland, maar in Malabar inheemsch; hij bewoont hier uitsluitend de dichte bosschen van hooggelegen gewesten en leeft in troepen van 12 à 20 stuks. Zijn verbreidingsgebied strekt zich van ongeveer 14° N.B. tot aan Kaap Comorin uit.
Wegens het in ’t oogloopend verschil tusschen de tropische gewesten van het oostelijke en die van het westelijke halfrond, zou hij, die lust tot reizen heeft, en wien het geluk ten deel valt, zijn reislust te kunnen bevredigen, bij een bezoek aan Zuid-Amerika zich in een tooverwereld verplaatst wanen, waar de bekoring van het nieuwe hem geheel bevangt. De overweldigende rijkdom der natuur zou hem zelfs allicht voor eenigen tijd de talrijke voorrechten van het oude wereldhalfrond uit het oog doen verliezen. Met weinig dragen de Zuid-Amerikaansche diervormen tot dezen indruk bij; ook die, welke nu behandeld moeten worden —