Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/98

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Over ’t geheel genomen zijn zij zachtaardig, goedmoedig en gezellig, maar tevens dom, onhandig, onleerzaam en log. Sommige toonen nieuwsgierigheid, dartelheid en plaagzucht, andere echter brommigheid, eigenzinnigheid, boosaardigheid, arglist en lust tot bijten. Ook zij zijn geil, snoeplustig, diefachtig en hebzuchtig; aan slechte eigenschappen ontbreekt het hun dus niet; — de goede hoedanigheden van de Apen der Oude Wereld missen zij echter. Wie te kiezen heeft tusschen de Apen der Oude Wereld en die van de Nieuwe, en beslissen moet, welke hem het best bevallen, zal wel nooit lang in twijfel verkeeren. In vrijen toestand zijn de Breedneuzen in den regel schuw en vreesachtig, en niet in staat een wezenlijk gevaar van een denkbeeldig te onderscheiden. Daarom nemen zij voor elk ongewoon verschijnsel de vlucht, en trachten zich ten spoedigste te verbergen te midden van het dichte doolhof van takken en twijgen. Die, welke aangeschoten zijn, bijten verwoed naar den jager, die hen grijpen wil. Waarschijnlijk bieden zij alleen aan kleine Roofdieren weerstand. Het zijn krachtelooze, lafhartige wezens.

Als zij gevangen zijn, gedragen zij zich weldra lief en vertrouwelijk; soms, doch niet altijd, worden zij op meer gevorderden leeftijd boosaardig en bijtlustig. Hun traagheid naar lichaam en geest, hun zwaarmoedig voorkomen, de jammerende geluiden, die zij dikwijls met merkwaardige volharding voortbrengen, hun onzindelijkheid, weekelijkheid en gering weerstandsvermogen tegen veranderde levensomstandigheden: al deze eigenaardigheden en gewoonten maken, dat zij geen aanbeveling verdienen als huisgenooten van den mensch, hem geen aangenaam tijdverdrijf kunnen verschaffen. Op dezen regel vormen eenige weinige soorten echter een gunstige uitzondering; deze komen daarom dikwijls in getemden toestand voor, en loonen de zorg, die men hun wijdt. Vele zijn zeer gevoelig voor indrukken van buiten; zij geven hunne gewaarwordingen door vriendelijk kijken of door klagen te kennen, en hebben daardoor de vriendschap van sommige menschen, vooral van teerhartige dames, weten te verwerven.

Hun moederliefde is even treffend als die van de Apen der Oude Wereld. Zij brengen bij elken worp 1 of 2 jongen ter wereld, die zij liefhebben, koesteren, verzorgen en beschermen met een nauwgezetheid en hartelijkheid, welke door iederen ooggetuige terecht bewonderd wordt.

Voor den mensch worden de Apen der Nieuwe Wereld niet of slechts in enkele gevallen schadelijk. Het uitgestrekte, rijke woud is hun vaderland; het voedt en verzorgt hen; zij hebben den beheerscher der aarde en de voortbrengselen van zijn arbeid niet noodig. Slechts weinige soorten doen nu en dan een strooptocht op de akkers, die dicht bij het woud gelegen zijn; de belasting die zij heffen, is evenwel van geen beteekenis in vergelijking met de afpersingen, waaraan de Apen van de Oude Wereld zich schuldig maken. De mensch jaagt ze ter wille van hun vleesch en hun pels. Menig reiziger in Amerika is gedwongen geweest de Apen gedurende langen tijd als zeer begeerlijk wild te beschouwen, en ze in den vorm van soep of gebraad te gebruiken. Menige schoone dame bergt en verwarmt hare zachte handen in een hulsel, dat eertijds het lichaam van een Aap bekleedde.

Voor de inboorlingen van Amerika is de Aap een uiterst belangrijk dier, want hun voedsel bestaat grootendeels uit zijn vleesch. Zij maken ijverig jacht op hem. Gewoonlijk maken zij hierbij gebruik van een boog, niet zelden echter ook van een blaaspijp, waarmede zij kleine pijlen schieten, die vooraf met de spits in een der vreeselijkste vergiften gedoopt zijn. Hoewel alle Apen den pijl zoo spoedig mogelijk uit de wonde trachten te verwijderen, baat hun dit niet; daar de listige jager het werptuig half doorgesneden heeft, zoodat in verreweg de meeste gevallen de vergiftigde spits afbreekt en steken blijft in de wonde, die hierdoor gevaarlijk genoeg wordt, om zelfs aan veel sterkere dieren het leven te benemen.

Met ditzelfde wapen maken de Indianen zich ook meester van de Apen, die zij levend wenschen te bezitten. “Als de Arekoenas,” zegt Schomburgk, “een ouden, koppigen Aap willen temmen, bestrijken zij het pijltje, dat hem treffen zal, met verzwakt woerari-gif. Als hij naar beneden valt, wordt de wonde dadelijk uitgezogen; daarna begraven zij hem tot aan den hals in den grond, en gieten hem een sterke oplossing van salpeterhoudende aarde of sap van suikerriet in. Als de patiënt een weinig bijgekomen is, wordt hij uit den grond genomen en als een bakerkind ingewikkeld. Terwijl hij in dit dwangbuis zit, krijgt hij eenige dagen achtereen tot drank niets anders dan suikeroplossing en tot voedsel spijzen, die in een salpeteroplossing gekookt en sterk met spaansche peper gekruid zijn. Als na deze paardenkuur de gewenschte gevolgen uitblijven, wordt het moeilijk te temmen dier een tijdlang in den rook opgehangen. Weldra kalmeert zich nu zijn woede, het boosaardig oog verkrijgt een zachtere uitdrukking en smeekt om erbarming. Dan worden de banden losgemaakt, en zelfs de bijtlustigste Aap schijnt nu volkomen vergeten te hebben, dat hij eertijds vrij in ’t woud geleefd heeft.”