Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/101

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zij dat niet van hem verkrijgen konden, verzochten ze hem, aan de ruiterij, die de voorhoede vormde, te verbieden, vijandelijkheden te beginnen en hun zelf te veroorloven, gezanten naar de Ubiërs te zenden. Gaven de adel en de senaat der Ubiërs hun door een eed zekerheid, dan verklaarden zij op Caesar's voorslag te willen ingaan; hij moest hun drie dagen tijd geven, om deze zaak tot stand te brengen. Dit alles, meende Caesar, strekte wederom daartoe, om drie dagen tijd te winnen, opdat de afwezige ruiters inmiddels terug konden keeren; echter beloofde hij hun, op dezen dag niet meer dan vier mijlen voorwaarts te zullen rukken, om water te vinden; zij zouden zich den volgenden dag daar dan in zoo grooten getale mogelijk bevinden, opdat hij over hun vorderingen een beslissing kon nemen. Intusschen zond hij aan de aanvoerders der gansche ruiterij het bevel, den vijand niet aan te vallen, en, indien zijzelf werden aangevallen, stand te houden, totdat hijzelf met het hoofdleger naderbij gekomen was.

12. Maar zoodra de vijanden onze ruiterij, 5000 man sterk, in 't gezicht kregen, terwijl zijzelf niet meer dan 800 ruiters hadden, omdat degenen, die om te fourageeren over de Maas waren gegaan, nog niet waren teruggekeerd, vielen zij haar aan en wierpen haar snel overhoop, daar de onzen geen kwaad vermoedden, wijl de gezanten der vijanden pas kort te voren Caesar hadden verlaten en zij voor dezen dag een wapenstilstand hadden verzocht. Toen de onzen wederom tegenstand boden, sprongen de vijanden, overeenkomstig hun gewoonte, van de paarden, staken onze paarden van onderen dood, wierpen daardoor vele ruiters neder, joegen dan de overige op de vlucht en jaagden hen in zulk een verwarring voor zich uit, dat zij niet eerder hun vlucht staakten, voordat zij ons hoofdleger in 't gezicht kregen. In dit gevecht verloren wij vier en zeventig