ruiters, onder hen den dapperen Aquitaniër Piso, een man uit een aanzienlijk geslacht, wiens grootvader eens over zijn volk koning was geweest en van onzen senaat den titel "vriend" gekregen had. Hij kwam zijn broeder, die door vijanden omringd was, te hulp en redde hem uit het gevaar, stortte echter zelf van zijn gewond paard en weerde zich, zoolang hij kon, zoo dapper mogelijk. Doch van alle kanten aangevallen en met wonden overdekt zeeg hij neder. Toen zijn broeder, die reeds buiten het gevecht was, dat van verre had bemerkt, gaf hij zijn paard de sporen, stortte zich te midden van de vijanden en kwam eveneens om.
13. Na dit gevecht meende Caesar geen gezanten meer te moeten ontvangen, noch voorstellen aan te hooren van lieden, die bedriegelijk en verraderlijk eerst om vrede gebeden en dan zonder aanleiding de vijandelijkheden hadden begonnen; maar hij hield het te gelijk voor de grootste dwaasheid, te wachten, tot de vijand door het terugkeeren zijner ruiterij versterking kreeg. Daar hij de wankelmoedigheid der Galliërs kende, begreep hij, hoeveel aanzien de vijand zich reeds bij hen door dit ééne gevecht had verworven, en zoo geloofde hij hun geen oogenblik tijd tot het nemen van een besluit te moeten laten. Na dit vastgesteld en zijn voornemen den legaten en den quaestor medegedeeld te hebben, namelijk, geen dag langer met den beslissenden slag te wachten, trof het gansch bijzonder, dat den volgenden morgen de Germanen in grooten getale, al hun vorsten en oudsten aan de spits, met dezelfde trouweloosheid en veinzerij, bij hem in de legerplaats kwamen, deels om zich, zooals zij zeiden, te verontschuldigen, dat zij tegen de afspraak en tegen hun eigen verzoek den vorigen dag hadden aangevallen, deels om, zoo mogelijk, door leugen en bedrog een wapenstilstand te verkrijgen. Caesar was verheugd, dat zij in zijn handen geraakt waren