en liet hen vasthouden. Daarna brak hij met al zijn troepen op, maar liet de ruiterij, wijl hij ze door het vorige gevecht nog voor zeer ontsteld hield, de achterhoede vormen.
14. Na een snellen marsch van acht mijlen bereikte hij in drie slagorden het vijandelijk kamp, nog vóórdat de Germanen een vermoeden konden hebben van hetgeen er voorviel. Ons snel verschijnen, de afwezigheid der hunnen, de onmogelijkheid te beraadslagen en naar de wapenen te grijpen; dit alles verbijsterde hen plotseling en zij wisten in hun ontsteltenis niet, wat beter was: tegen den vijand op te rukken, de legerplaats te verdedigen, of hun heil in de vlucht te zoeken. Terwijl hun angst door het geschreeuw en het door elkaar loopen merkbaar was, stormden onze soldaten, verbitterd door de trouweloosheid van den vorigen dag, het kamp binnen. Wie de wapenen nog snel grijpen konden, boden ons korten tegenstand en stelden zich tusschen de wagens en bagage te weer. Maar de overige menigte van kinderen en vrouwen — want zij waren met hun geheel volk uitgetogen en over den Rijn gegaan — begonnen naar alle kanten te vluchten. Te hunner vervolging zond Caesar zijne ruiterij af.
15. Toen de Germanen dat geschreeuw achter zich hoorden en het bloedbad onder de hunnen zagen, wierpen zij de wapenen weg, lieten hun veldteekenen in den steek en stormden uit de legerplaats. Aan de samenvloeiing van Maas en Rijn gekomen, wanhoopten zij aan een verder voortzetten der vlucht. Het grootste deel werd neergehouwen, de overigen sprongen in de rivier, en vonden daar, door schrik, vermoeidheid en de kracht van den stroom overmand, hun graf. De onzen keerden, zonder ook slechts één man verloren te hebben, ongedeerd, slechts met weinige