gewonden in de legerplaats terug, na een zoo vreeselijk dreigenden oorlog, daar het getal der vijanden 430.000 man was geweest. Caesar veroorloofde hun, die hij in zijn kamp had gehouden, heen te gaan. Uit vrees, door de Galliërs, wier landerijen zij verwoest hadden, doodgemarteld te worden, verklaarden zij, bij hem te willen blijven. Daartoe gaf Caesar hun vrijheid.
16. Na beëindiging van den oorlog met de Germanen besloot Caesar om vele redenen over den Rijn te gaan. De geldigste van die redenen was deze: hij wilde, daar hij zag, dat de Germanen zich zoo licht lieten verleiden naar Gallië te komen, ook hun vrees inboezemen voor hun eigen zekerheid, terwijl hij hun toonde, dat ook de Romeinen de macht en den moed hadden den Rijn over te steken. Daarbij kwam, dat de afdeeling van de ruiterij der Usipeten en Teukteren, die, als boven gezegd, over de Maas was gegaan om te plunderen en te fourageeren en niet bij het gevecht was tegenwoordig geweest, na de vlucht der hunnen zich over den Rijn in het gebied der Sugambren teruggetrokken en zich met dat volk vereenigd had. Toen nu Caesar aan de Sugambren boden zond, met den eisch, dat zij hem diegenen zouden uitleveren, die hem in Gallië beoorloogd hadden, antwoordden zij: dat de Rijn de grens was van de heerschappij des Romeinschen volks; achtte Caesar het onbillijk, dat de Germanen tegen zijn wil naar Gallië kwamen, hoe kon hij dan voor zich eenige heerschappij of macht aan gene zijde van den Rijn eischen? De Ubiërs echter, de eenigen, die van de volken over den Rijn gezanten tot Caesar gezonden, vriendschap gesloten en gijzelaars gesteld hadden, baden hem dringend om hulp tegen de Sueben, die hen erg in 't nauw brachten; of, zoo hij door staatszaken daarin verhinderd werd, dat hij dan slechts met zijn leger over den Rijn zou komen.