Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/107

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het land der Ubiërs, wien hij zijn hulp beloofde, voor 't geval dat zij door de Sueben werden benauwd. Hier vernam hij, dat de Sueben, nadat zij door hun verspieders van den bouw der brug waren onderricht, overeenkomstig hun gewoonte een landdag hadden gehouden en vervolgens boden naar alle kanten gezonden met de dringende uitnoodiging, om de steden te verlaten, vrouwen, kinderen en al hun have in veiligheid te brengen; voorts, dat allen, die de wapenen konden dragen, zich op één plaats zouden vereenigen, waartoe een plek was uitgezocht ongeveer in het midden van het geheele gebied der Sueben. Hier hadden zij besloten de Romeinen af te wachten en den beslissenden slag te slaan. Dit waren de berichten, die Caesar ontving. Maar, dewijl zijn gansche doel met dezen overtocht over den Rijn, namelijk den Germanen schrik aan te jagen, de Sugambren te tuchtigen, de Ubiërs van den druk hunner vijanden te bevrijden, bereikt was, geloofde hij door zijn oponthoud van achttien dagen aan gene zijde van den Rijn roem en voordeel genoeg verworven te hebben. Derhalve keerde hij naar Gallië terug en brak de brug af.

20. Ofschoon de zomer ten einde liep en bij de noordelijke ligging van geheel Gallië in deze streken de winter vroeg intreedt, besloot Caesar toch, een tocht naar Britannië te doen, omdat, zooals hij wist, van daar bijna in alle oorlogen met de Galliërs de vijanden ondersteund waren. Was ook het gunstige jaargetijde om oorlog te voeren verstreken, hij meende toch, dat het zijn nut had, ten minste eenmaal het eiland te betreden, zijn bewoners in oogenschouw te nemen, de plaatselijke toestanden, havens en landingsplaatsen te leeren kennen; hetgeen alles aan de Galliërs nagenoeg onbekend was. Want met uitzondering van de kooplieden gaat niemand zonder aanleiding er heen; en