Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/108

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zelfs zij kennen slechts de zeekust en de streken tegenover Gallië. Caesar kon derhalve van de kooplui, die hij van alle kanten ontbood, niet ervaren, hoe groot het eiland was, welke, of hoevele stammen het bewoonden, welk een vechtwijze zij hadden, of onder welke instellingen zij leefden, noch welke havens geschikt waren een aanzienlijk getal grootere schepen op te nemen.

21. Om dit een en ander te vernemen, voordat hij zulk een poging deed, zond hij Gajus Volusenus, dien hij bekwaam daartoe hield, met een oorlogsschip vooruit. Hij droeg hem op, alles uit te vorschen en dan zoo spoedig mogelijk terug te keeren. Caesar zelf marcheerde met zijn geheele leger het gebied der Moriners binnen, omdat men van daar den kortsten overtocht had naar Britannië. Hier verzamelden zich op zijn bevel, benevens de vloot, die men in den vorigen zomer ten behoeve van den oorlog met de Veneters had gebouwd, de schepen van alle staten uit de gansche nabuurschap. Intusschen was zijn voornemen bekend en door kooplui aan de Britten medegedeeld geworden. Er kwamen nu van verscheiden staten van het eiland gezanten tot hem, die beloofden gijzelaars te stellen en zich aan de Romeinsche heerschappij te onderwerpen. Na hen te hebben aangehoord, gaf Caesar hun vriendelijke beloften en zond hen heen met de vermaning, bij deze gezindheid te volharden. Te gelijk met hen ging Commius, dien Caesar zelf tot koning der door hem onderworpen Atrebaten had aangesteld, een man, wiens degelijkheid en inzicht hij als beproefd erkende, op wiens trouw hij meende zich te kunnen verlaten, en die in deze streken veel aanzien bezat. Dezen droeg hij op, zooveel staten mogelijk te bezoeken, hun aan te bevelen, zich onder Rome's bescherming te stellen en Caesars spoedige komst te berichten. Nadat Volusenus al die streken had in oogenschouw genomen,