Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/109

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zoover hem dat mogelijk was geweest, daar hij het niet gewaagd had zijn schip te verlaten en zich onder de barbaren te begeven, keerde hij na vijf dagen terug en deed Caesar verslag van hetgeen hij daar had waargenomen.

22. Terwijl Caesar zich in deze streken ophield om schepen aan te schaffen, kwamen van een groot deel der Moriners gezanten tot hem, ten einde zich wegens hun vroeger gedrag te verontschuldigen, dat zij, een vreemd volk en met onze gewoonte onbekend, de Romeinen beoorloogd hadden. Te gelijk beloofden zij, in 't vervolg zijn bevelen steeds te zullen nakomen. Dit kwam Caesar zeer gelegen; want hij wilde geen vijand in den rug laten en uit hoofde van het jaargetijde kon hij onmogelijk oorlog voeren; bovendien achtte hij de onderneming tegen Britannië gewichtiger dan zulke kleinigheden. Hij eischte derhalve een groot getal gijzelaars, en nam, nadat hem die geleverd waren, de Moriners in genade aan. Ondertusschen waren ongeveer tachtig transportschepen tezamengebracht en vereenigd, die hem voldoende schenen, om twee legioenen over te schepen. De oorlogsschepen, waarover hij bovendien beschikte, verdeelde hij in eskaders onder den quaestor, de legaten en prefecten. Daarbij kwamen nog achttien transportschepen, die, acht mijlen ver van de verzamelplaats door ongunstigen wind opgehouden, niet in dezelfde haven, konden komen. Die bestemde hij voor de ruiterij. De rest van het leger gaf hij aan de legaten Quintus Titurius Sabinus en Lucius Aurunculejus Cotta, om het in het land der Menapiërs en in die gauwen der Moriners te voeren, waarvan geen gezanten tot hem waren gekomen. De legaat Publius Sulpicius Rufus kreeg de opdracht, met een voldoende bezetting de haven bezet te houden.

23. Na dit alles te hebben geregeld, wachtte hij gunstig weer voor het uitloopen af en lichtte omtrent de derde