Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/110

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

nachtwake het anker; de ruiters echter ontvingen bevel naar de andere haven te gaan, zich daar in te schepen en hem te volgen. Terwijl dit wat langzaam geschiedde, be-reikte hij zelf ongeveer met het vierde uur van den dag Britannië met de eerste schepen en zag daar alle heuvels met de troepen der vijanden bezet. De ligging van deze landingsplaats was zoodanig, en rondom kwamen de bergen zóó dicht aan de havenbocht, dat men van de hoogten af het strand beschieten kon. Caesar achtte daarom deze plaats volstrekt niet voor een landing geschikt, bleef tot de negende ure voor anker liggen en wachtte, totdat de overige schepen kwamen. Ondertusschen riep hij de legaten en de krijgstribunen bijeen, stelde hen in kennis met hetgeen hij van Volusenus had gehoord en met zijn eigen bedoelingen, en scherpte hun in, op zijn wenk en te rechter tijd alle bevelen te volvoeren, zooals het wezen van den krijg, voornamelijk op zee, welker bewegingen even snel als onbestendig waren, dat eischte. Na hen te hebben heengezonden, gaf Caesar, wijl wind en vloed te gelijker tijd gunstig waren, het teeken tot afvaart, lichtte het anker, zeilde ongeveer zeven mijlen verder en liet aan een open en vlak strand de schepen voor anker komen.

24. Maar de barbaren, die de bedoeling der Romeinen hadden bemerkt, hadden ruiterij en strijdwagens, het hoofdwapen, waarvan zij zich bedienden, vooruitgezonden, waren met hun overige troepen gevolgd en trachtten nu den onzen het landen te beletten. Wij bevonden ons in de moeilijkste omstandigheden: de schepen konden wegens hun grootte niet dan in diep water voor anker gaan; de soldaten, metde plaatselijke gesteldheid onbekend, belemmerd in het vrije gebruik der handen en bezwaard met den drukkenden last hunner wapenrusting, moesten te gelijk van de schepen afspringen, in het water post vatten en met de