Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/112

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

26. Hevig werd er van beide kanten gevochten. De onzen echter geraakten in groote wanorde; want zij konden noch rij en gelid, noch vasten voet houden, noch bij de vanen blijven; maar de een uit dit, de ander uit dat schip sloot zich aan bij het eerste het beste veldteeken, dat hij aantrof. De vijanden daarentegen, die alle ondiepe plaatsen kenden, renden, zoodra zij van het strand eenigen der onzen ieder op zichzelf de schepen zagen verlaten, op hen, die nog niet slagvaardig waren, met lossen teugel in en omringden hen, weinigen in getal, met overmacht, terwijl anderen op de open flank onze geheele strijdmacht beschoten. Toen Caesar dit bemerkte, liet hij de booten der oorlogsschepen, zoo ook de voor den dienst der verkenners bestemde kleine schepen, bemannen en zond hun, die hij in nood zag, versterking. Zoodra de onzen nu op het droge stonden en al onze troepen zich hadden aangesloten, deden zij een aanval op den vijand, dien zij op de vlucht dreven, maar niet ver konden vervolgen, omdat de ruiterij den koers niet had kunnen houden en Britannië bereiken. Dit alleen ontbrak aan Caesar's tot dusver hem trouw gebleven krijgsgeluk.

27. Zoodra de geslagen vijanden van hun vlucht weer tot zichzelve waren gekomen, zonden zij terstond gezanten aan Caesar om den vrede aan te bieden en beloofden gijzelaars te geven en zich te onderwerpen. Te gelijk met deze gezanten kwam Commius de Atrebaat, dien Caesar, zooals wij boven gezegd hebben, naar Britannië vooruitgezonden had. Zij hadden hem namelijk, toen hij aan land was gegaan en hun als afgezant van Caesar diens opdracht overbracht, gegrepen en in boeien geklonken; nu, na den slag, zonden zij hem terug en schoven, bij hun smeeken om den vrede, de schuld daarvan op den grooten hoop, terwijl zij hem baden, het hun om hun onverstand te vergeven. Caesar beklaagde