zich, dat zij zonder oorzaak vijandelijkheden hadden begonnen, terwijl zij toch uit vrije beweging gezanten naar het vasteland gezonden en hem om vrede gebeden hadden. Evenwel verklaarde hij, het hun onbezonnenheid te willen, vergeven, en verlangde gijzelaars. Gedeeltelijk gaven zij die terstond, de overigen, die uit verderopgelegen streken komen moesten, beloofden zij binnen weinige dagen te stellen. Middelerwijl zonden zij hun volk naar huis; hun vorsten kwamen van alle kanten tezamen, om zich en hun staten in Caesars welwillendheid aan te bevelen.
28. Toen hierdoor de vrede was hersteld, liepen op den vierden dag na Caesars komst in Britannië de achttien schepen, welke, als boven gezegd, de ruiterij transporteerden, bij matigen wind uit hun hooger gelegen haven uit. Reeds naderden zij de kust en werden zij uit onze legerplaats gezien, toen plotseling zulk een hevige storm opstak, dat zij geen van alle koers konden houden, maar sommige teruggedreven werden naar de plaats, waarvan zij waren vertrokken, andere onder groot gevaar naar het zuidwestelijk deel van het eiland werden geslagen. Wijl deze echter na het uitwerpen der ankers door de golven werden overstroomd, zoo gingen zij, door den nood gedrongen, met het aanbreken van den nacht weer in zee en stuurden naar het vasteland.
29. In denzelfden nacht had men volle maan, wat in den Oceaan geregeld springvloeden veroorzaakt, maar de onzen wisten dat niet. De vloed had alzoo gelijktijdig de oorlogsschepen, waarop Caesar de troepen had overgevoerd en die hij dan op het strand had laten trekken, geheel gevuld, en de storm beschadigde de voor anker liggende transportschepen. De onzen waren buiten staat ze te besturen, of op andere wijze te helpen. Een groot deel der schepen werd verbrijzeld, en de rest was na het verlies