Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/117

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de vrijheid voor altijd te verzekeren, indien men de Romeinen uit hun legerplaats had verjaagd. Hierdoor brachten zij in korten tijd een groote massa voetvolk en ruiterij bijeen en rukten tegen de legerplaats op.

35. Schoon Caesar inzag, dat hetgeen de vorige dagen, gebeurd was zich zou herhalen, dat nl, de vijanden, als zij werden geslagen, door hun vlugheid aan een vervolging zouden ontkomen, stelde hij toch, hoewel hij maar ongeveer dertig ruiters had, die de bovengemelde Atrebaat Commius had mee overgebracht, zijn legioenen voor de legerplaats in slagorde. In het nu begonnen gevecht konden de vijanden den aanval onzer soldaten niet lang weerstaan en sloegen op de vlucht. Wij vervolgden hen zoo ver, als onze beenen en onze krachten het veroorloofden en doodden een nog al groot aantal; vervolgens staken wij wijd en zijd alle hoeven in brand en keerden naar het legerkamp terug.

36. Denzelfden dag kwamen gezanten van den vijand tot Caesar en verzochten om vrede. Caesar verdubbelde het vroeger verlangde getal gijzelaars en beval, hem die op het vasteland na te zenden, omdat hij bij het naderen der dag- en nachtevening zijn gebrekkige schepen niet aan de winterstormen wilde blootstellen. Hijzelf lichtte kort na middernacht het anker, daar het weer gunstig was geworden. Ongedeerd bereikten alle schepen het vasteland, slechts twee transportschepen konden niet in dezelfde havens, als de overige, inloopen en werden een weinig verder noordwaarts afgedreven.

37. Toen uit de schepen ongeveer driehonderd man waren aan land gegaan en naar de legerplaats togen, werden zij door de Moriners, die Caesar bij zijn vertrek naar Britannië in vredestoestand had verlaten, maar die thans door de hoop op buit werden verlokt, omringd. Aanvankelijk niet sterk in aantal, bevalen zij den onzen, als het leven