hun lief was, de wapenen neer te leggen. Toen wij echter een carré vormden en ons te weer stelden, kwamen op hun krijgsgeschreeew spoedig ongeveer 6000 man samen. Op het bericht daarvan zond Caesar zijn geheele ruiterij uit de legerplaats den zijnen te hulp. Onze soldaten hielden intusschen stand tegen den vijandelijken aanval, vochten meer dan vier uur allerdapperst en doodden met gering verlies van hun zijde zeer vele vijanden. Nadat echter onze ruiterij in het gezicht kwam, wierpen de vijanden hun wapens weg en vluchtten. Een menigte hunner werd op de vlucht neergehouwen.
38. Den volgenden dag zond Caesar den legaat Titus Labienus met de legioenen, die hij uit Britannië had teruggebracht, tegen de Moriners, die waren opgestaan. En daar dezen wegens de droogte der moerassen, waar zij het vorige jaar een toevlucht hadden gezocht, thans niet wisten, waarheen zij zouden terugtrekken, vielen zij bijna allen Labienus in handen. De legaten Quintus Titurius en Lucius Cotta, die met hun legioenen het gebied der Menapiërs waren binnengerukt, verwoestten al de akkers van dezen volksstam, sneden het graan af, staken de hoeven in brand, en keerden dan tot Caesar terug, wijl de Menapiërs gezamenlijk zich in de dichtste bosschen hadden teruggetrokken. Caesar besloot al zijn legioenen bij de Belgen in de winterkwartieren te leggen. Daarheen zonden in 't geheel slechts twee staten van Britannië gijzelaars, de overige verzuimden zulks te doen. Op Caesar's bericht van deze gebeurtenissen besloot de senaat tot een dankfeest van twintig dagen.