Spanje komen. Na de rechtsdagen in Cisalpijnsch Gallië gehouden te hebben, vertrok Caesar zelf naar Illyrië, omdat hij hoorde, dat het grensgebied der provincie door de invallen der Pirusten werd verwoest. Daar gekomen gaf hij den staten bevel soldaten te leveren, die hij gelastte zich op een bepaalde plaats te verzamelen. Op het bericht daarvan zonden de Pirusten gezanten tot hem, om hem te verklaren, dat niets van het voorgevallene van den staat was uitgegaan; ook toonden zij zich bereid, in elk opzicht voor de gewelddadigheden voldoening te geven. Caesar hoorde hun verzekeringen aan, vorderde gijzelaars en gelastte hun, hem die op een bepaalden dag te brengen; deden zij dat niet, dan verklaarde hij, hen te zullen beoorlogen. De gijzelaars werden, overeenkomstig zijn bevel, op den vastgestelden dag gebracht; hij benoemde daarop scheidsrechters tusschen de staten, om de schade te schatten en de te betalen som vast te stellen.
2. Na deze aangelegenheden geregeld en ook in Illyrië de rechtsdagen gehouden te hebben, keerde Caesar naar Cisalpijnsch Gallië terug en vertrok van daar naar het leger. Na zijn aankomst bezocht hij alle winterkwartieren en vond, trots het uiterste gebrek aan alle benoodigdheden, door de buitengewone werkzaamheid der soldaten ongeveer zeshonderd schepen van de boven beschreven bouworde, benevens acht en twintig oorlogsschepen, zoo ver uitgerust, dat ze binnen eenige dagen van stapel konden loopen. Hij prees de soldaten en hen, die den arbeid geleid hadden, gaf dezen laatsten verdere bevelen en bepaalde als verzamelplaats der geheele vloot de haven Itius[1], waaruit men, zooals hij ervaren had, het gemakkelijkst naar Britannië oversteekt, dat hier slechts ongeveer dertig mijlen
- ↑ Waarschijnlijk het tegenw. Calais, misschien echter ook Wissant.