Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/122

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

aan inzicht een misgreep zou doen. Zoo was dus de staat in zijn macht, en, als Caesar het vergunde, wilde hij bij hem in de legerplaats komen en zijn lot met dat van zijn volk aan zijn genade toevertrouwen.

4. Caesar begreep weliswaar, waarom Indutiomarus thans zoo sprak, en wat hem afschrikte zijn plannen te volvoe ren. Daar hij echter niet, nu alle voorbereidingen tot den Britannischen oorlog voltooid waren, den zomer bij de Trevirers nutteloos wilde doorbrengen, beval hij Indutiomarus met tweehonderd gijzelaars tot hem te komen. Toen deze bij hem waren verschenen, onder hen Indutiomarus' zoon en al zijn verwanten, die Caesar uitdrukkelijk ontboden had, sprak hij Indutiomarus vriendschappelijk toe en vermaande hem, trouw te blijven. Niettemin riep hij echter de vorsten der Trevirers tot zich en bracht den een na den ander aan de zijde van Cingetorix. Niet alleen had deze dat verdiend, maar het was ook voor Caesar zelf van groot belang, dat het aanzien van den man, van wiens groote aanhankelijkheid hij zich overtuigd hield, bij zijn landgenooten zooveel gold als maar mogelijk was. Deze handelwijze, namelijk om zijn aanzien bij zijn volk te ver'zwakken, verdroot Indutiomarus zeer, en was hij reeds vóór dezen ons vijandig gezind, uit wrok hierover werd zijn verbittering nog veel grooter.

5. Nadat Caesar deze dingen had geregeld, marcheerde hij met zijn legioen naar de haven Itius. Daar vernam hij, dat zestig schepen, die in het gebied der Melders[1] waren gebouwd, door een storm teruggeslagen, den koers niet hadden kunnen houden en weer naar de haven, van waar zij uitgeloopen waren, waren teruggekeerd. De overige schepen vond hij gereed om in zee te steken en van al

  1. Een kleine Keltische stam tusschen Seine en Marne, tusschen Meaux en Melun.