Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/123

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het noodige voorzien. Hier verzamelde zich ook de ruiterij van geheel Gallië, 4000 man sterk, evenals de vorsten uit alle staten. Caesar had namelijk, uit vrees voor een opstand in zijn afwezigheid, besloten, van hen slechts enkele weinigen, van wier trouw hij verzekerd was, in Gallië achter te laten, de overigen echter als gijzelaars mede te nemen.

6. Onder dezen bevond zich ook de Haeduër Dumnorix, van wien wij reeds vroeger gesproken hebben. Caesar had besloten hem vooral bij zich te houden, wijl hij zijn onrustigen geest, zijn heerschzucht, zijn hoogen moed en zijn groot aanzien bij de Galliërs kende. Daar kwam bij, dat Dumnorix op den landdag der Haeduërs had gezegd, dat Caesar hem tot hun koning wilde maken; een uiting, die de Haeduërs euvel opnamen, ofschoon zij 't niet waagden gezanten tot Caesar te zenden, om zich daartegen te verzetten, of te verzoeken, dat zulks niet geschiedde. Caesar had dit van zijn gastvrienden ervaren. Dumnorix smeekte in 't eerst dringend op alle wijzen, hem in Gallië te laten, deels, omdat hij, ongewoon aan de zeevaart, bang was voor de zee, deels, wijl hij, naar zijn zeggen, door godsdienstige overwegingen werd teruggehouden. Toen hij echter zijn bede hardnekkig geweigerd zag en geen hoop had op hare verwezenlijking, begon hij de Gallische vorsten op te ruien, nam hen één voor één ter zijde, spoorde hen aan, het vasteland niet te verlaten en maakte hen beangst: niet zonder reden wilde men Gallië van zijn ganschen adel berooven; Caesar's plan was, hen allen in Britannië te laten vermoorden, omdat hij niet den moed had, hen voor de oogen der Galliërs te dooden. Te gelijk gaf hij den overigen zijn woord tot pand en verlangde van hen een eed, om naar gemeenschappelijk besluit datgene te verrichten, wat overeenkomstig hun inzichten in 't belang van Gallië was. Met dit een en ander