zorgdheid, omdat hij ze voor anker aan een zacht oploopend strand achterliet. Het bevel over de bedekking der vloot droeg hij op aan Quintus Atrius. Na een nachtelijken marsch van ongeveer twaalf mijlen zag hij de vijanden. Deze rukten met hun ruiterij en strijdwagens voort tot een rivier, vingen uit hun hooger gelegen stelling aan, de onzen af te weren en begonnen den kamp. Door onze ruiterij teruggeworpen, trokken zij zich in de wouden terug, waar zij een door natuur en kunst uitstekend versterkte stelling bezetten, die zij, naar het scheen, reeds vroeger ter oorzake van binnenlandsche oorlogen hadden ingericht, want alle toegangen waren door talrijke gevelde boomen afgesloten. Zijzelf kwamen in kleine afdeelingen uit de bosschen tot den strijd te voorschijn en verhinderden de onzen binnen hun verschansingen te dringen. Maar de soldaten van het zevende legioen vormden een schilddak, wierpen een aarden wal op tegen de verschansingen, namen de stelling en joegen den vijand met gering verlies uit de bosschen. Caesar verbood hun echter de vluchtenden verder te vervolgen, deels, omdat hij de streek niet kende, deels, omdat hij, daar al een groot deel van den dag voorbij was, nog tijd wilde overhouden voor de verschansing der legerplaats.
10. Den volgenden morgen zond Caesar voetvolk en ruiterij in drie richtingen uit ter vervolging der vluchtenden. Toen zij een eindweegs waren voortgerukt en de achterhoede des vijands reeds in ' t gezicht hadden, kwamen ruiters van Quintus Atrius tot Caesar met het bericht, dat in den laatsten nacht door een zeer hevigen storm bijna alle schepen beschadigd en gestrand waren, daar noch ankers of touwen hielden, noch matrozen en stuurlieden het geweld van den storm op de schepen hadden kunnen uithouden. En zoo was door dat samenstooten der schepen groot nadeel aangericht.