Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/127

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

11. Op het vernemen hiervan gaf Caesar den legioenen en ruiters bevel, om te keeren en zich tegen mogelijke aanvallen van den vijand te weer te stellen, zonder den terugmarsch te staken. Hijzelf keerde naar de vloot terug en zag nu met eigen oogen ongeveer hetzelfde, wat men hem mondeling en schriftelijk had bericht: veertig schepen ten naastenbij waren verloren, de overige echter schenen, hoewel met veel moeite, hersteld te kunnen worden. Derhalve liet hij behalve de handwerkslieden, die hij uit de legioenen koos, nog andere van het vasteland overkomen; aan Labienus schreef hij, dat hij door zijn legioenen zooveel schepen mogelijk moest laten bouwen. Ofschoon het veel arbeid en moeite kostte, achtte hij het toch het raadzaamst, alle schepen op het strand te trekken en ze met de legerplaats in ééne verschansing in te sluiten. Ongeveer tien dagen gingen met dat werk heen, ofschoon de soldaten zelfs 's nachts niet den arbeid staakten. Toen de schepen op het land waren getrokken en de legerplaats uitmuntend verschanst was, liet hij dezelfde troepen, als den vorigen keer, ter beveiliging der vloot achter en marcheerde hijzelf daarheen, vanwaar hij was teruggekeerd. Daar gekomen vond hij reeds grootere troepenmassa's der Britanniërs van alle kanten op dat punt vereenigd; het opperbevel en de algemeene leiding had men volgens gemeenschappelijk besluit opgedragen aan Cassivellaunus, wiens gebied van de kuststaten door de rivier de Tamesis (Theems) wordt gescheiden, ongeveer tachtig mijlen van de zee. Cassivellaunus had weliswaar tot dusver met de andere staten in voortdurenden oorlog verkeerd, maar ten gevolge van onze aankomst hadden zij hem de gansche leiding van den oorlog opgedragen.

12. Het binnenland van Britannië wordt bewoond door volksstammen, die de oude overlevering de oorspronkelijke