Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/128

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

inwoners van het eiland noemt; de zeekust door Belgen, die uit roof- en krijgslust zijn overgekomen. Deze laatsten dragen haast alle nog den naam der staten, waartoe zij naar afstamming behooren en uit welke zij naar Britannië zijn gekomen. Na den oorlog zijn zij er gebleven en begonnen, zich aan den landbouwte wijden. Het getal inwoners is onbegrensd, de hoeven, die in den regel aan de Gallische gelijk zijn, allertalrijkst, de veestapel groot. Voor geld gebruiken zij koperen of ijzeren staafjes van een bepaald gewicht. In het binnenland wordt tin gevonden, in de kuststreken ijzer, echter in geringe hoeveelheid; het koper wordt ingevoerd. Allerlei houtsoorten levert het land op, evenals Gallië, behalve den beuk en den den. Hazen, kippen en ganzen te eten achten zij zonde; echter houden zij deze dieren voor hun vermaak en genoegen. Het klimaat is zachter dan in Gallië, de koude minder streng.

13. Het eiland heeft den vorm van een driehoek, welks ééne zijde tegen Gallië is gekeerd. De eene hoek van deze zijde, bij Cantium (Kent), waar bijna alle schepen uit Gallië landen, ligt tegen het oosten, de andere, lager, tegen het zuiden. Deze zijde is ongeveer 500 mijlen lang. De andere zijde heeft haar richting naar Spanje en het westen heen; aan deze ligt Hibernië (Ierland), naar schatting de helft kleiner dan Britannië, maar even ver van Britannië, als dit van Gallië verwijderd is. Midden op de vaart daarheen ligt het eiland Mona (Man); nog meerdere kleinere eilanden zullen hier liggen, op welke, volgens eenige schrijvers, het in den winter dertig dagen aaneen nacht is. Wij hebben bij onze navorschingen niets daarvan ervaren, dan dat wij uit nauwkeurige metingen met het wateruurwerk zagen, dat de nachten korter waren dan op het vasteland. De lengte van deze zijde is, volgens de meening van die schrijvers, 700 mijlen. De derde zijde ligt