de onzen door de ongewone vechtwijze des vijands had meester gemaakt, met de grootste stoutmoedigheid midden door hen heen en trokken zich ongedeerd weder terug. Op dien dag sneuvelde de krijgstribuun Quintus Laberius Durus. Nadat meerdere cohorten in het gevecht waren gezonden, werden de vijanden eindelijk teruggedreven. 16. In dit geheel eigenaardig soort van gevecht, dat onder aller oogen en voor de legerplaats plaats greep, bleek, dat de onzen wegens hun zware bewapening tegen vijanden van dezen aard minder deugden, daar zij de vluchtenden niet konden vervolgen, noch het waagden buiten rij en gelid te strijden. Voor onze ruiterij echter was deze wijze van slagleveren zeer gevaarlijk, daar de vijanden meestal zelfs met opzet weken en wanneer zij daardoor onze ruiters een weinig van de legioenen hadden weggelokt, van hun strijdwagens sprongen en te voet een ongelijken kamp begonnen. Een regelmatig ruitergevecht echter was voor de onzen, hetzij zij weken, hetzij zij vervolgden, even gevaarlijk. Daarbij kwam, dat de vijanden nooit in gesloten linie, maar in afzonderlijke, met groote tusschenruimten van elkaar gescheiden, afdeelingen, streden en kleine posten hier en daar hadden staan, om elkander wederkeerig achtereenvolgens af te lossen en de frissche en onvermoeide manschappen de plaats der vermoeiden te doen, innemen.
17. Den volgenden dag namen de vijanden stelling op de heuvels ver van onze legerplaats, vertoonden zich slechts in afzonderlijke afdeelingen en tartten onze ruiters, hoewel niet zoo heftig als den vorigen dag, een gevecht te beginnen. Maar op den middag, toen Caesar drie legioenen en de geheele ruiterij onder den legaat Gajus Trebonius had uitgezonden om te gaan fourageeren, stormden zij plotseling van alle kanten op deze troepen los, zoodat zij zelfs voor de