Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/131

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

in slagorde opmarcheerende legioenen niet teruggingen. De onzen wierpen hen door een heftigen aanval terug en staakten de vervolging niet, zoolang onze ruiters, steunende op de legioenen, die zij achter zich zagen, hen in dolle vlucht voor zich heen joegen. Onze troepen hieuwen er bij menigte neer en gaven hun geen gelegenheid zich te verzamelen, halt te maken, of van de wagens te springen. Na deze nederlaag verstrooiden zich de overal vandaan samengekomen hulptroepen, en van dezen tijd af hebben de vijanden nooit meer met voltallige troepenmacht tegen ons gestreden.

18. Caesar kende dit besluit en rukte nu met zijn leger op tegen het gebied van Cassivellaunus aan de Tamesis, die men slechts op één punt, en dan nog met moeite, kan oversteken. Daar bemerkte Caesar aan den anderen oever talrijke massa's vijanden in slagorde opgesteld. De oever was door spitse palen, die aan den rand ervan waren ingeslagen, beveiligd; andere palen van dezelfde soort waren in het water zelf ingeheid en hierdoor bedekt. Caesar vernam dat van gevangenen en overloopers; hij zond de ruiterij vooruit en beval, dat de legioenen deze dadelijk zouden volgen. Hoewel tot den hals in het water, rukten onze soldaten met zulk een snelheid en onstuimigheid voorwaarts, dat de vijand den aanval der legioenen en der ruiterij niet kon weerstaan, de oevers prijs gaf en op de vlucht sloeg. 19. Na, als boven gezegd, alle hoop op een beslissend gevecht te hebben opgegeven, zond Cassivellaunus het grootste deel zijner troepen weg, en hield ongeveer vier duizend strijdwagens bij zich, waarmee hij onze marschen in ' t oog hield. Hij verwijderde zich slechts op geringen afstand van den heirweg, verschool zich in ontoegankelijke en boschachtige oorden en liet uit alle streken, waardoor zouden nemen, het wij, zooals hij bemerkt had, onzen weg vee en de menschen van de velden naar de bosschen drij-