ven. Wanneer nu onze ruiterij zich wat te driest over de velden uitbreidde om te plunderen en te verwoesten, dan deed hij zijn strijdwagens langs alle wegen en paden uit de bosschen uitrukken en bracht haar door zijn aanval in groot gevaar. Dat schrikte haar af, de plundertochten verder uit te strekken. Er bleef niets anders over,dan dat Caesar de ruiterij niet toeliet zich te ver van het hoofdleger der legioenen te verwijderen, en dat door het verwoesten van het land en het in brand steken van wat brandbaar was den vijanden zooveel schade werd berokkend, als de legioensoldaten door hun inspanning en op den marsch konden doen.
20. Ondertusschen zonden de Trinobanten, ongeveer de machtigste stam in die streken, uit welken de jonge Mandubracius stamde, die zich onder Caesars bescherming gesteld en tot hem naar Gallië op het vasteland was gekomen, gezanten tot Caesar, beloofden hem onderwerping en gehoorzaamheid en verzochten hem. Mandubracius tegen de gewelddadigheden van Cassivellaunus te beschermen en tot hen te zenden, om aan hun hoofd te staan en het opperbevel te bekleeden. De vader van Mandubracius namelijk was koning der Trinobanten geweest en door Cassivellaunus gedood, hijzelf was door de vlucht aan den dood ontkomen. Caesar verlangde van hen veertig gijzelaars, koorn voor zijn leger en zond Mandubracius tot hen. Zij brachten zijne bevelen spoedig ten uitvoer en zonden gijzelaars in het bepaalde aantal, benevens graan.
21. Nadat Caesar de Trinobanten in bescherming had genomen (tegen Cassivellaunus) en hen tegen alle geweld zijner soldaten had beveiligd, zonden ook de Cenimagners, Segontiakers, Ancalieten, Bibrokers, Cassers gezanten aan Caesar en boden hem hun onderwerping aan. Van hen vernam Caesar, dat de stad van Cassivellaunus in de