Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/133

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

nabijheid was; door bosschen en moerassen beveiligd, was zij het toevluchtsoord voor een groote menigte menschen en vee geworden. „Stad" noemen 't de Britten, wanneer zij ontoegankelijke bosschen door wallen en grachten hebben bevestigd, waarheen zij plegen te vluchten, om zich tegen den vijandelijken inval te beschermen. Daarheen rukte nu Caesar met zijn legioenen op; hij vond de plaats door natuur en kunst uitmuntend bevestigd; toch ondernam hij den aanval van twee kanten. De vijand hield een korten tijd stand, kon echter den aanval onzer soldaten niet uithouden en redde zich aan den anderen kant uit de stad. Een groote menigte vee vond men er; op de vlucht werden velen gegrepen en neergehouwen.

22. Terwijl dit hier voorviel, zond Cassivellaunus boden naar Cantium, — het landschap dat, als boven gezegd, aan de kust ligt en waarover vier koningen, Cingetorix, Carvilius, Taximagulus en Segovax regeeren, — en beval hun met hun gansche strijdmacht onverwachts het schepenkamp aan te vallen en te bestormen. Toen zij bij de legerplaats waren gekomen, deden de onzen een uitval, doodden velen hunner, namen ook een voornaam aanvoerder Lugotorix gevangen, waarna zij zonder eenig verlies naar de legerplaats terugtrokken. Op het bericht van dit gevecht zond Cassivellaunus, daar hij zoovele nederlagen had geleden en zijn gebied verwoest was, maar vooral daartoe bewogen door den afval der andere staten, gezanten tot Caesar, om hem door bemiddeling van den Atrebaat Commius zijn onderwerping aan te bieden. Caesar zijnerzijds, besloten wegens de onverwachts in Gallië uitgebroken onlusten den winter op het vasteland door te brengen — de zomer was haast voorbij en de rest zou, begreep hij, gemakkelijk gerekt kunnen worden — beval hem gijzelaars te stellen en bepaalde de schatting, welke Britannië jaar-