lijks aan Rome moest betalen. Tevens verbood hij Cassivellaunus nadrukkelijk, tegen Mandubracius en de Trinobanten vijandelijkheden te plegen[1].
23. Nadat de gijzelaars waren in ontvangst genomen, keerde Caesar met zijn leger naar de kust terug, waar hij de schepen gerepareerd vond. Toen zij in het water waren gebracht, verordende hij, dat het leger in twee transporten zou worden teruggevoerd, omdat hij een groote menigte gevangenen had en sommige schepen door den storm ver loren waren gegaan. En nu trof het zóó, dat van een zoo groot aantal schepen bij zoovele vaarten, heen en weer, noch in dit, noch in het vorige jaar ook maar één schip met troepen aan boord verloren ging, terwijl daarentegen van de schepen, die leeg van het vasteland terugkeerden, zoowel van die van het eerste transport, nadat de soldaten daar ontscheept waren, als van die, welke Labienus ten getale van zestig later had laten bouwen, zeer weinige de plaats van bestemming bereikten, en de overige bijna alle werden teruggeslagen. Tevergeefs wachtte Caesar eenigen tijd op deze. Opdat hem nu niet bij de naderende dag- en nachtevening door den tijd des jaars de terugvaart onmogelijk werd gemaakt, was hij genoodzaakt zijne soldaten wat beperkter te huisvesten, en stak met het kalmste weder bij het begin der tweede nachtwake in zee. Bij het aanbreken van den dag bereikte hij het land, zonder één schip verloren te hebben.
24. Nadat Caesar de schepen op het land had laten trekken, hield hij een landdag der Galliërs te Samarobriva[2] en legde dan zijn leger in de winterkwartieren. Doch