Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/135

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

omdat dat jaar in Gallië wegens de droogte de oogst slecht was uitgevallen, zag hij zich genoodzaakt dat anders in te richten dan gewoonlijk en de legioenen over meer staten te verdeelen. Eén legioen liet hij door den legaat Gajus Fabius naar de Moriners brengen, het tweede door Quintus Cicero naar de Nerviërs, het derde door Lucius Roscius naar de Esubiërs, het vierde moest onder Titus Labienus bij de Remers aan de grenzen der Trevirers overwinteren; drie legioenen, waarover hij het bevel opdroeg aan den quaestor Marcus Crassus en de legaten Lucius Munatius Plancus en Gajus Trebonius, verlegde hij naar België. Één legioen, dat hij pas aan gene zijde van den Padus (Po) had opgericht, en vijf cohorten zond hij naar de Eburonen, wier land grootendeels tusschen de Maas en den Rijn ligt, en die onder de heerschappij van Ambiorix en Catuvolcus stonden. Aan de spits dezer soldaten stelde hij de legaten Titurius Sabinus en Lucius Aurunculejus Cotta. Door deze verdeeling der legioenen meende Caesar het gemakkelijkst het gebrek aan koorn te kunnen voorkomen. En toch waren de winterkwartieren van alle deze legioenen, behalve van dat, hetwelk onder Lucius Roscius naar het vreedzaamste en rustigste deel van Gallië was gegaan, niet verder dan honderd mijlen van elkander verwijderd. Caesar zelf intusschen besloot zoolang in Gallië te blijven, tot hij zekerheid had, dat de legioenen ondergebracht en de winterkwartieren versterkt waren.

25. Bij de Carnuten leefde een man van hoogen adel. Tasgetius met name, wiens voorvaderen in zijn staat de koninklijke heerschappij hadden bezeten. Hem had Caesar, zoowel tot erkenning van zijn vastberadenheid en van zijn goede gezindheid jegens hem, als omdat hij Caesar in al zijn oorlogen uitstekende diensten had bewezen, in de waardigheid zijner vaderen hersteld. Reeds regeerde hij in het