Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/136

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

derde jaar, als zijn vijanden, zelfs in openlijke verstandhouding met velen zijner medeburgers, hem door moord uit den weg ruimden. Dit werd Caesar bericht, die, daar velen in de zaak waren verwikkeld, vreesde, dat de staat door hen tot afval zou worden verlokt. Daarom beval hij Lucius Plancus, met zijn legioen snel uit België naar het land der Carnuten te rukken, daar zijn winterkwartieren op te slaan en hen, die hij schuldig bevonden had aan den moord van Tasgetius, te grijpen en op te zenden. Middelerwijl ontving hij van alle legaten en quaestoren, aan wie hij de legioenen had toevertrouwd, bericht, dat men in de winterkwartieren was aangekomen en die met versterkingen had voorzien.

26. Vijftien dagen ongeveer, nadat men de winter kwartieren had betrokken, gaven Ambiorix en Catuvolcus het teeken tot plotselingen opstand en afval. Zij hadden zich weliswaar op de grens van hun gebied ter beschikking gesteld van Sabinus en Cotta en koorn in de legerplaats geleverd, maar thans brachten zij, door boodschappen van den Trevirer Indutiomarus daartoe aangezet, de hunnen in oproer, overvielen plotseling onze houthakkers en verschenen met veel volk voor onze legerplaats, om ze te bestormen. Snel grepen de onzen naar de wapenen en bezetten den wal; de Spaansche ruiters deden aan den eenen kant een uitval en bleven overwinnaars in een gevecht met de vijandelijke ruiterij. Wanhopende aan hun zaak lieten de vijanden van de bestorming af. Toen schreeuwden zij luide naar hun gewoonte, dat eenigen der onzen uit de legerplaats zouden komen tot een onderhoud; zij hadden mededeelingen te doen in beider belang, waardoor, zooals zij hoopten, de geschillen konden worden bijgelegd.

27. Men zond tot dit onderhoud Gajus Arpinejus, een