Romeinsch ridder en vriend van Quintus Titurius, en een Spanjaard Quintus Junius, die reeds vroeger in opdracht van Caesar dikwijls met Ambiorix had verkeerd. Tot hen sprak Ambiorix op deze wijze: „Hij bekende, Caesar zeer veel verplicht te zijn voor diens bewijzen van welwillendheid. Want door hem was hij van de schatting, die hij den Aduatuken, zijn naburen, tot dusver had moeten betalen, bevrijd; Caesar had hem zijn zoon en zijn neef weergegeven, die de Aduatuken als gijzelaars hadden gekregen en als slaven en gevangenen hadden behandeld. Den aanval op de Romeinsche legerplaats had hij niet naar eigen besluit en wil, maar door zijn volk gedwongen ondernomen, en zijn heerschappij was van dien aard, dat de groote menigte niet minder macht had over hem, dan hij over de massa. Verder was voor zijn volk dit de reden van den oorlog geweest, dat het zich niet tegen de plotselinge schildverheffing der Galliërs had kunnen verzetten. Daarvoor was zijn eigen onmacht het beste bewijs; want hij was niet zoo kortzichtig, om zich in te beelden, dat hij Rome met zijn macht kon overwinnen. Het was echter een algemeen besluit van alle Galliërs; deze dag was er voor bestemd, om alle winterkwartieren van Caesar te gelijk aan te grijpen, opdat niet het eene legioen aan het andere kon te hulp komen. Galliërs hadden het anderen Galliërs niet gemakkelijk kunnen weigeren, vooral, daar het bij dit besluit scheen te handelen om het herstel der algemeene vrijheid. Voor hen had hij nu als vaderlander genoeg gedaan; thans hield hij rekening met zijn verplichtingen aan Caesar voor diens bewijzen van welwillendheid; hij vermaande en smeekte Titurius bij zijn gastvriendschap, bedacht te zijn op zijn redding en die zijner soldaten. Een groote schaar voor loon gehuurde Germanen was over den Rijn gegaan; binnen twee dagen zouden zij hier zijn. De Romeinen
Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/137
Uiterlijk