Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/138

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zelf hadden te beslissen, of zij niet, voor de naburen het bemerkten, de troepen uit de winterkwartieren en naar Cicero of Labienus zouden voeren, van wie de een ongeveer vijftig mijlen, de ander iets verder van hen verwijderd was. Hij voor zich gaf de belofte en verzekerde onder eede, dat hij hun een veiligen doortocht door zijn gebied zou verschaffen. Dat doende zorgde hij voor het belang van zijn volk, dat daardoor van den last der winterkwartieren werd bevrijd, en toonde hij zich dankbaar aan Caesar wegens diens aan hem bewezen diensten." Na deze rede verwijderde Ambiorix zich.

28. Arpinejus en Junius berichtten den legaten, wat zij vernomen hadden. Verbluft door de onverwachte gebeurtenis, meenden zij de mededeelingen, ofschoon zij van den vijand kwamen, echter niet onopgemerkt te moeten laten. Den meesten indruk maakte het op hen, dat het nauwelijks scheen te gelooven, dat het onaanzienlijke en onbeduidende volk der Eburonen 't uit eigen beweging gewaagd had het Romeinsche volk den oorlog aan te doen. De legaten riepen derhalve een krijgsraad bijeen, en hier ontstond een hevige strijd. Lucius Aurunculejus en de meerderheid der krijgstribunen en centurio's van den eersten rang waren van meening, dat men niet te onbezonnen moest handelen en zonder Caesar's bevel de winterkwartieren niet moest verlaten; zij verklaarden, dat men in het verschanste legerkamp zich tegen elke strijdmacht der Germanen, hoe groot ook, kon staande houden; een bewijs daarvoor was de eerste aanval, dien men op het dapperst, en bovendien met groot verlies van den vijand, had afgeweerd. Aan levensmiddelen ontbrak het niet; middelerwijl zou zoowel van de naaste winterkwartieren als van Caesar zelf hulp komen; eindelijk, wat was gewetenloozer of schandelijker, dan in zulk een hoogst gewichtige zaak een