Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/140

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zullen verstandiger zijn en van u rekenschap vorderen, indien ons een ongeluk overkomt, zij, die, hadt gij er u niet tegen verzet, reeds overmorgen in het volgende winterkwartier aangekomen, met hun makkers vereenigd, het oorlogslot met hen zouden kunnen deelen, en niet, verwijderd en gescheiden, ver van de anderen door het zwaard of door den honger zouden omkomen."

31. De krijgsraad werd opgeheven. Men vatte beide legaten bij de hand en smeekte hen, door hun tweedracht en halsstarrigheid den toestand niet allergevaarlijkst te maken. Of men bleef, of opbrak, de toestand was zonder gevaar, indien slechts allen eenstemmig en eendrachtig waren; in verdeeldheid daarentegen was geen heil te zien. De redetwist duurde tot middernacht. Eindelijk liet Cotta zich bewegen toe te geven. De voorslag van Sabinus zegevierde; er werd bekend gemaakt, dat men met het aanbreken van den dag zou opbreken. De rest van den nacht werd wakende doorgebracht, daar elk soldaat zijn goed monsterde, om te zien, wat hij kon meenemen, of wat hij van zijn winteruitrusting moest achterlaten. Men zocht alle redenen uit te denken, waarom het gevaarlijk zou zijn te blijven en waarom het gevaar door de afmatting en de voortdurende nachtwaken der troepen nog zou stijgen. Met het krieken van den dag rukte men de legerplaats uit op een wijze, alsof de raad daartoe niet door een vijand, maar door Ambiorix als den besten vriend gegeven ware, namelijk in een zeer lange kolonne en met een ongehoord grooten tros.

32. Nadat de vijanden aan het rumoer en aan de drukte gedurende den nacht hadden bemerkt, dat men zich tot den aftocht gereed maakte, verdeelden zij hun leger in tweeën, legden in de bosschen op een geschikte en verborgen plaats een hinderlaag en wachtten daar, ongeveer