twee mijlen van de legerplaats, de aankomst der Romeinen af. Toen nu het grootste deel van ons leger in een lang dal was afgedaald, kwamen de vijanden plotseling aan beide zijden van dat dal te voorschijn, begonnen de achterhoede in het nauw te brengen, de spits te verhinderen den tegenoverliggenden bergpas te bestijgen en grepen nu de onzen op een voor hen allerongunstigst terrein aan.
33. Thans eerst werd Titurius, die op niets vooruit bedacht was geweest, onrustig, liep haastig heen en weder, liet de cohorten in gevechtsstelling opmarcheeren, maar hij deed zelfs dit zoo angstig, dat het scheen, of hij het hoofd had verloren, zooals dat gewoonlijk overkomt aan menschen, die midden in het handelen een besluit moeten nemen. Cotta daarentegen, die aan de mogelijkheid van zulk eene gebeurtenis op den marsch had gedacht en daarom den aftocht uit de legerplaats had afgekeurd, was in alle opzichten bedacht op aller redding; in het toespreken en opwekken der soldaten vervulde hij de plichten eens veldheers, in het gevecht die van een gewoon soldaat. Daar zij beiden wegens de lengte der kolonne niet goed alles persoonlijk konden doen en ook niet konden overzien, wat op elk punt moest verricht worden, gaven zij bevel, de bagage achter te laten en een carré te vormen. En ofschoon nu in zulk een geval deze maatregel juist niet te berispen is, zoo had 't toch dit nadeel, dat het vertrouwen onzer soldaten er door werd verzwakt en de vijand te overmoediger werd, omdat dit besluit niet dan door de uiterste vrees en vertwijfeling scheen ingegeven te zijn. Daarbij kwam nog, wat niet kon uitblijven, dat namelijk de soldaten overal de gelederen verlieten en naar de ba gage ijlden, om daarvan weg te halen en weg te sleepen, wat ieder van hen het liefst was. De lucht werd vervuld van geschreeuw en gejammer.