34. Maar de barbaren namen ook hun maatregelen. Hun aanvoerders lieten in 't gansche leger bekend maken, dat niemand van zijn plaats zou gaan; alles wat de Romeinen hadden achtergelaten was en bleef hun buit; zij moesten deswege bedenken, dat alles van de overwinning afhing. De onzen waren door dapperheid en getal tegen den strijd opgewassen. Schoon door hun veldheer en door het geluk verlaten, stelden zij echter hun gansche hoop op hun dapperheid; telkens waar een cohorte uit het carré vooruitstormde, daar richtte zij een bloedbad onder de vijanden aan. Toen Ambiorix dit bemerkte, gaf hij bevel, de Romeinen alleen uit de verte te beschieten, hen niet te dicht te naderen, en waar zij ten aanval voorwaarts drongen, terug te wijken; bij hun lichte wapenrusting en dagelijksche oefening konden de Romeinen hun geen nadeel doen; begaven dezen zich weder naar hun vanen terug, dan moesten zij hen vervolgen.
35. Dit bevel werd op 't nauwkeurigst opgevolgd. Zoodra en telkens als een cohorte uit het carré ten aanval voorwaarts rukte, namen de vijanden snel de wijk. Ondertusschen moest zulk een cohorte noodzakelijk zich blootgeven en haar open flank[1] prijsgeven aan de vijandelijke werpspiesen. Begon zij dan weder naar haar oorspronkelijke stelling in het carré terug te keeren, dan werd zij zoowel door de achteruitgeweken als door de in de nabijheid staan gebleven vijanden omsingeld. Wilde men echter in het carré blijven staan, dan had men noch gelegenheid zijn dapperheid te toonen, noch, zich in gesloten linie te beveiligen tegen de door zulk een overmacht geworpen spiesen. Toch hielden de onzen, trots zooveel tegenspoed, trots talrijke wonden stand en hadden, toen reeds een groot deel van den
- ↑ nl. de rechterflank, want het schild dekte de linkerzijde.