Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/143

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dag was verstreken — de slag duurde van het aanbreken van den morgen tot de achtste ure[1] — niets gedaan, wat hunner onwaardig was. Nu werd Titus Balventius, die in het vorige jaar de aanvoerder der eerste centurie geweest was, een man van groote dapperheid en van hoog aanzien, met een werpspies door beide dijen geschoten. Quintus Lucanius, die denzelfden rang bekleedde, vond, met ongemeene dapperheid strijdende, den dood, terwijl hij zijn door den vijand omringden zoon te hulp kwam, en de legaat Lucius Cotta werd op het oogenblik, dat hij van cohorte tot cohorte, van centurie tot centurie ging, om ze aan te moedigen, door een slingersteen vlak in 't gezicht gewond.

36. Dit alles bewoog Quintus Titurius, aan Ambiorix, dien hij in de verte zijn troepen zag toespreken, zijn tolk Gnaeus Pompejus te zenden, met de bede, hem. Titurius, en zijn soldaten te sparen. Ambiorix gaf op deze bede ten antwoord, dat hij hem een onderhoud wilde toestaan; hij hoopte van zijn volk gedaan te kunnen krijgen, dat de soldaten werden verschoond; Titurius zelf zou geen leed geschieden; daarop gaf hij hem zijn woord. Titurius deelde dit den gewonden Cotta mede, en vroeg hem, of het niet raadzaam scheen, dat zij beiden uit het gevecht zouden gaan en met Ambiorix spreken; hij hoopte genade voor zich en de troepen te verkrijgen. Cotta verklaarde, dat hij niet tot een gewapenden vijand ging, en hij bleef daarbij.

37. Sabinus beval aan de krijgstribunen en centurio's van den hoogsten rang, die juist in zijn nabijheid waren, hem te volgen. Toen hij Ambiorix was genaderd, werd hem gelast de wapenen af te leggen; hij gaf er gehoor

  1. Twee uur des namiddags.