Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/145

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

39. Zij zonden derhalve terstond boden naar hun onderdanen, de Ceutronen, Grudiërs, Levakers, Pleumoxiërs, Geidumners, brachten zooveel troepen mogelijk tezamen en vertoonden zich snel en onvoorziens voor Cicero's legerplaats, nog voor het gerucht van Titurius' dood tot hem was doorgedrongen. Ook hem overkwam, wat niet anders, kon, dat namelijk eenige soldaten, die in het bosch gegaan waren om hout te halen voor de verschansingen, door de plotselinge komst der ruiters werden afgesneden. Hierop begonnen de Eburonen. Nerviërs. Aduatukers en al hun bondgenooten en onderdanen met een groote macht den aanval op het legioen. De onzen ijlden snel naar de wapenen en bezetten den wal. Met moeite hield men het dien dag uit, omdat de vijanden hun gansche hoop op een spoedig succes stelden en, hadden zij hier de overwinning behaald, vast vertrouwden, voor altijd overwinnaars te zullen zijn.

40. Dadelijk zond Cicero bericht aan Caesar, terwijl hij den overbrengers groote belooningen in 't vooruitzicht stelde voor de richtige bezorging. Alle wegen waren echter bezet, en zoo werden de boden opgevangen. In den nacht richtte men van het hout, dat tot verschansing van de legerplaats was bijeenverzameld, met ongeloofelijke snelheid ongeveer honderd twintig torens op en voltooide, wat nog aan het versterkingswerk scheen te ontbreken. Den volgenden dag bestormde de vijand met nog veel grootere strijdkrachten, die hij intusschen had bijeengebracht, opnieuw de legerplaats en trachtte de gracht dicht te werpen. De onzen boden op dezelfde wijze als den vorigen dag weerstand. En zoo ging het alle volgende dagen voort. Geen oogenblik van den nacht werd de arbeid gestaakt; noch zieken, noch gezonden vergunde men rust. Alle noodige maatregelen tegen den aanval van den volgenden