dag werden 's nachts getroffen; een menigte aan de spits aangebrande palen en werpspiesen ter verdediging der muren in massa vervaardigd, de torens met planken belegd, tinnen en borstweringen van vlechtwerk gemaakt. Cicero zelf gunde zich, niettegenstaande zijn zwakke gezondheid, niet eens nachtrust, zoodat hij zelfs door de zich om hem heen dringende en smeekende soldaten gedwongen werd zich te sparen.
41. De aanvoerders en vorsten der Nerviërs, die meenden er eenige aanspraak op te hebben en in vriendschappelijke betrekking met Cicero stonden, toonden nu hun verlangen, een onderhoud met hem te hebben, dat hun werd toegestaan. Wat Ambiorix met Titurius had besproken, voerden ook zij aan: "Geheel Gallië was in de wapenen; de Germanen waren over den Rijn gegaan; de winterkwartieren van Caesar en zijn legaten werden bestormd. Buitendien deden zij nog mededeelingen over den dood van Sabinus en beriepen zich op Ambiorix[1], om vertrouwen te wekken. "Het was, zoo zeiden zij, een dwaling, wanneer men van hen nog hulp verwachtte, die zelf alle hoop hadden opgegeven. Echter waren zij Cicero en het Romeinsche volk geenszins slechtgezind; slechts de winterkwartieren lieten zij zich niet welgevallen; dat mocht geen ingewortelde gewoonte worden. Hunnentwege konden de Romeinen ongedeerd de winterkwartieren verlaten en onbevreesd afmarcheeren, waarheen zij wilden." Op dit alles antwoordde Cicero slechts dit alleen: dat het Romeinsche volk zich van een gewapenden vijand geen voorwaarden placht te laten voorschrijven; wilden zij de wapenen nederleggen, dan konden zij van zijn bemiddeling gebruik maken en gezanten aan Caesar zenden; hij
- ↑ Ambiorix was nl. ooggetuige geweest van Sabinus' dood.