Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/147

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hoopte van Caesars rechtvaardigheid, dat zij hun verzoek ingewilligd zouden krijgen.

42. Daar de Nerviërs zich alzoo in hun verwachting bedrogen zagen, sloten zij ons winterkwartier met een wal van negen voet hoog en een gracht van vijftien voet breed in. Dat hadden ze door hun verkeer met ons in de laatste jaren van ons afgezien; ook hadden zij eenige gevangenen van ons leger, die hen op de hoogte stelden. Echter moesten zij, uit gebrek aan de daartoe noodige ijzeren werktuigen, met hun zwaarden de graszoden uitsteken en den grond met hun handen en in hun mantels er uit halen. Uit dezen arbeid kon men tot hun groot aantal besluiten, want in minder dan drie uren hadden zij een versterkingslinie van vijftien mijlen in omtrek voltooid. De volgende dagen vingen zij aan, torens in verhouding tot de hoogte van onzen wal, muurhaken en schutdaken gereed te maken en te vervaardigen, eveneens volgens aanwijzing der gevangenen.

43. Op den zevenden dag der belegering stak er een geduchte storm op. De vijanden begonnen gloeiende kogels van klei en gloeiende werpspiesen op onze barakken te slingeren, die naar Gallische wijze met stroo gedekt waren. Deze vatten snel vuur en brachten het door den heftigen wind naar alle kanten van de legerplaats. Nu begonnen de vijanden, alsof de overwinning al behaald en beslist was, onder groot geschreeuw de torens en stormdaken in beweging te brengen en den wal met ladders te beklimmen. Maar hier bleek de buitengewone dapperheid en tegenwoordigheid van geest van onze soldaten. Ofschoon zij van alle kanten door de vlammen werden gezengd en door een hagelbui van werpspiesen overstelpt; ofschoon zij al hun bagage, hun ganschen rijkdom, zagen verbranden, liep niemand van den wal weg om zijn post te verlaten, zelfs zag er nauwelijks een