een werpspies gebonden, mede, ging als Galliër, zonder argwaan te wekken, door het Gallische land en kwam bij Caesar, die door hem bekend werd met de gevaren, waarin Cicero en zijn legioen verkeerden.
46. Caesar ontving den brief omtrent het elfde uur van den dag[1]; dadelijk zond hij een bode tot den quaestor Marcus Crassus in het gebied der Bellovaken, wiens winterkwartier 25 mijlen van hem verwijderd was, met het bevel te middernacht met zijn legioen op te breken en onverwijld zich tot hem te begeven. Gelijktijdig met de aankomst van den bode breekt Crassus op. Een andere bode wordt aan den legaat Gajus Fabius gezonden, met het bevel, zijn legioen in het land der Atrebaten te brengen, door wier gebied Caesar zelf zijn weg moest nemen. Aan Labienus schrijft Caesar, met zijn legioen naar de grenzen der Nerviërs op te rukken, indien hij dat zonder nadeel doen kon. Het overige deel des legers meende Caesar, omdat het te ver af was, niet te moeten afwachten; ongeveer vierhonderd ruiters bracht hij uit de naastbij gelegen winterkwartieren bijeen.
47. Omtrent de derde ure[2] werd Caesar door kwartiermakers van Crassus' nadering onderricht. Terstond brak hij op en legde dien dag een marsch van twintig mijlen af. Crassus gaf hij het bevel over Samarobriva en voegde hem een legioen toe, omdat hij daar den tros des legers, de gijzelaars der staten, het archief en al het koorn, dat hij daar tot onderhoud voor den winter had opgehoopt, achterliet. Fabius had niet bijzonder lang gedraald en ontmoette hem, overeenkomstig het bevel, met zijn legioen op den marsch. Labienus had intusschen den ondergang van Sabinus en de nederlaag der cohorten vernomen, daar de