bracht. Hij las den brief door, maakte den inhoud aan de verzamelde soldaten bekend en vervulde hen allen met de grootste vreugde. Spoedig zag men ook in de verte de rookzuilen der in brand gestoken hoeven, hetgeen allen twijfel aan het naderen der legioenen verbande.
49. Toen de Galliërs de tijding hiervan door kondschappers vernamen, braken zij het beleg op en trokken met hun gansche macht Caesar te gemoet. Zij waren ongeveer 60.000 gewapenden sterk. Cicero gebruikte de gelegenheid en verzocht weder denzelfden Vertico, van wien wij boven gewag maakten, hem een Galliër te geven, om een brief aan Caesar over te brengen. Hij vermaande den Galliër, behoedzaam en omzichtig op den weg te zijn. In den brief schreef hij uitvoerig, dat de vijand was opgebroken en zich met zijn gansche macht tegen Caesar had gekeerd. Bij het ontvangen van dezen brief ongeveer te middernacht, deelde Caesar het bericht terstond aan de zijnen mede en sprak hun moed in voor den strijd. Den volgenden dag bij het aanbreken van den dageraad brak hij zijn legerplaats op en zag, na een marsch van ongeveer vier mijlen, aan gene zijde van een dal en van een beek de vijandelijke hoofdmacht. Het zou een groot waagstuk zijn geweest, met een zoo gering aantal troepen in een ongunstige stelling den strijd te beginnen; omdat hij buitendien wist, dat Cicero uit de omknelling bevrijd was, meende hij met een kalm gemoed van snel handelen te mogen afzien. Hij maakte nu halt en sloeg op een zoo gunstig mogelijk terrein de legerplaats op. En ofschoon deze legerplaats op zichzelf al een geringen omvang had, — voornamelijk daar de nauwelijks 7000 man, voor wie zij bestemd was, geen trein met zich voerden — maakte Caesar haar echter door den smallen aanleg der straten zoo klein als hij maar kon, met de bedoeling, den vijanden een hoogst geringen dunk