van zijn leger te geven. Ondertusschen zond hij naar alle kanten verspieders uit, om den besten weg door het dal uit te vorschen.
50. Op dien dag vielen slechts eenige onbeduidende ruitergevechten voor bij de beek. Beide legers bleven in hun stelling: de Galliërs, omdat zij grootere strijdkrachten afwachtten, die nog niet waren aangekomen; Caesar, om zoo mogelijk door voorgewende vrees de vijanden aan zijn kant te lokken en aan deze zijde van het dal voor de legerplaats met hen slaags te raken, of om, gelukte dat niet, na de wegen te hebben verkend, met het minst mogelijke gevaar door het dal en over de beek te trekken. Met het krieken van den dag kwam de vijandelijke ruiterij nabij onze legerplaats en begon een gevecht met onze ruiters. Caesar liet met opzet zijn ruiters wijken en hen in de legerplaats terugtrekken; te gelijker tijd echter gaf hij bevel, den wal om de legerplaats aan alle zijden hooger op te trekken, de poorten te versperren en bij het verrichten van dezen arbeid met de meeste bedrijvigheid heen en weer te loopen en schijnbaar grooten angst te toonen.
51. Door dit alles liet de vijand zich verlokken, met zijn leger over de beek te gaan en zich op een voor hem ongunstig terrein in slagorde te stellen. Toen wij echter onze posten ook van den wal hadden teruggetrokken, kwamen zij nog dichter bij, wierpen van alle kanten de speren over de verschansingen en lieten rondom door herauten bekend maken, dat indien iemand, hetzij Galliër, hetzij Romein, vóór de derde ure[1] tot hen wilde overgaan, hij dat zonder gevaar kon doen; na dien tijd stond het niet meer vrij. En zoo weinig vrees hadden zij voor
- ↑ Negen uur.