Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/154

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ons, dat zij, daar de poorten met enkele rijen graszoden in schijn waren versperd en zij geloofden door die poorten niet te kunnen binnendringen, begonnen de palissadeering met de handen uit te rukken en de grachten te dempen. Maar nu deed Caesar een uitval uit alle poorten, zond de ruiterij er op los en joeg de vijanden spoedig op de vlucht, zóó, dat ook niet een enkele met de bedoeling om te vechten stilstond, hieuw een groot aantal neder en noodzaakte allen de wapens weg te werpen.

52. Hen verder te vervolgen achtte Caesar bedenkelijk wegens de vele bosschen en moerassen en omdat hij zag, dat hier geen gelegenheid bestond, hun ook slechts het geringste nadeel toe te brengen. Hij kwam nog op denzelfden dag in Cicero's legerplaats, zonder één man verloren te hebben. De opgerichte torens, schutdaken en schansen van den vijand wekten zijn bewondering op. Hij liet het legioen aantreden en bevond, dat niet de tiende man ongewond was gebleven. Uit dit alles bleek hem, hoe groot het gevaar was geweest en met welk een moed de manschappen hun plicht hadden vervuld. Cicero en zijn legioen in 't algemeen prees hij daarom naar verdienste; de centu, rio's en krijgstribunen, die naar Cicero's getuigenis, een uitstekende dapperheid hadden betoond, vermeldde hij één voor één. Van het ongeluk van Sabinus en Cotta vernam hij door de gevangenen nauwkeuriger berichten. Den dag daarop verhaalde Caesar het voorgevallene aan de verzamelde troepen, troostte hen en sprak hun moed in. De ramp, waardoor men ten gevolge van de schuld en de onbezonnenheid van den legaat was getroffen, moest men, zoo onderrichtte hij hen, daarom te gelatener dragen, omdat door de genade der onsterfelijke Goden en hun eigen dapperheid de schande gewroken en den vijanden zoo min een grond, zich lang over die overwinning te verheu-