gen, als hun zelven een reden, om er langer smart over te gevoelen, gebleven was.
53. Ondertusschen drong de tijding van Caesars overwinning met ongeloofelijke snelheid door de Remers door tot Labienus. Hij stond op ongeveer zestig mijlen van Cicero's winterkwartieren, en Caesar was daar eerst na de negende ure van den dag[1] aangekomen. En toch klonk nog vóór middernacht bij de poorten van Labienus' legerplaats een geschreeuw, door de Remers aangeheven, die hem aldus de overwinning verkondigden en hem er mede gelukwenschten. Toen het bericht hiervan ook tot de Trevirers gekomen was, nam Indutiomarus, die reeds den volgenden dag Labienus' legerplaats wilde aangrijpen, in den nacht ijlings den terugtocht aan en voerde zijn gansche strijdmacht naar het land der Trevirers terug.
Caesar zond Fabius met zijn legioen naar hun winterkwartier terug; hijzelf besloot met drie legioenen drie winterkwartieren bij Samarobriva te betrekken en, uit hoofde der groote beweging in geheel Gallië, in eigen persoon den geheelen winter bij het leger te blijven. Want op het bekend worden van de ramp van Sabinus ' dood dachten bijna alle Gallische staten aan een nieuwen oorlog, zonden boden en gezantschappen naar alle kanten, vorschten uit, wat de anderen besloten hadden, waar het eerst de vijandelijkheden zouden uitbreken, en hielden nachtelijke samenkomsten op afgelegen plaatsen.
Geen dag ging er bijna in den geheelen winter voorbij, zonder dat Caesar in zorg verkeerde, zonder dat hij ' t een of ander bericht van plannen en bewegingen der Galliërs ontving. Onder anderen berichtte de quaestor Lucius Roscius, die het bevel voerde over het dertiende legioen, hem, dat
- ↑ Ongeveer drie uur 's middags.