Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/157

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hierom, dat het den Galliërs, die tot dusver in oorlogstalenten boven alle volken werden gesteld, uiterst smartelijk aandeed, zooveel van hun roem te hebben verloren, dat zij zich door het Romeinsche volk bevelen moesten laten voorschrijven.

55. De Trevirers en Indutiomarus zonden den ganschen winter door gezanten op gezanten over den Rijn, ruiden, de volken daar op, beloofden hun geldsommen en verzekerden hun, dat een groot deel van het Romeinsche leger was vernietigd en verreweg het kleinste deel slechts over was. Niettemin liet zich geen enkel Germaansch volk overreden, over den Rijn te gaan. Tweemaal, zoo antwoordden zij telkens, hadden zij het beproefd: in den oorlog van Ariovistus en bij den Rijnovergang der Teukteren; zij wilden het geluk niet verder op de proef stellen. Schoon in zijn verwachting teleurgesteld, trok Indutiomarus niettemin troepen samen, oefende ze, kocht paarden bij de naburen op en begon door hooge belooningen de vluchtelingen en veroordeelden uit Gallië tot zich te lokken. En zulk een groot aanzien had hij zich reeds hierdoor in Gallië verworven, dat van alle kanten gezantschappen tot hem kwamen en deels voor zich persoonlijk, deels in naam hunner staten, zijn gunst en vriendschap zochten te verwerven.

56. Toen Indutiomarus bemerkte, dat men uit eigen beweging tot hem kwam; dat eenerzijds de Senonen en de Carnuten door hun kwaad geweten werden aangedreven, anderzijds de Nerviërs en de Aduatuken zich tot den oorlog tegen de Romeinen toerustten, en het hem aan vrijwilligers niet ontbreken zou, zoodra hij de grenzen van zijn gebied had overschreden, riep hij een gewapenden landdag bijeen. Dat is naar Gallisch gebruik het begin van den oorlog. Volgens een algemeen geldige wet moe-