Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/178

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

komen te zijn, al heeft hij ook zestig dagen voortgemarcheerd, of die vernomen heeft, waar het einde is. Het staat vast, dat er in dit woud veel diersoorten zijn, die nergens anders voorkomen. Die het meest verschillen van de andere dieren en de vermelding waard schijnen, zijn de volgende.

26. Er is een os, die er uitziet als een hert en die midden op den kop tusschen de ooren één hoorn heeft, langer en minder gekromd, dan bij de ons bekende gehoornde dieren. Aan de spits van dien hoorn loopen uitwassen, handen en takken als 't ware, wijd uiteen. Het wijfje heeft dezelfde gestalte als het mannetje, denzelfden vorm en dezelfde grootte van horens[1].

27. Dan zijn er de zoogenoemde alken (elanden). Zij zien er uit als geiten, ook wat de bontheid van huiden betreft, maar zij zijn wat grooter en hebben afge, stompte hoorns en pooten zonder gewrichten en knokkels. Daarom leggen zij zich ook niet neder, als zij rusten willen, en kunnen ook niet weder opstaan, of zich oprichten, wanneer zij toevallig zijn neergestort. De boomen dienen hun tot legerstede; zij leunen er tegen aan, en zoo, slechts een weinig achterovergebogen, nemen zij rust. Hebben de jagers uit hun spoor hun gewone rustplaats ontdekt, dan ondergraven zij alle boomen in die streek, of zagen ze zoo ver door, dat het volkomen den schijn heeft, of zij nog vast staan. Wanneer nu de elanden naar hun gewoonte tegen die boomen leunen, dan werpen de dieren die zwak staande stammen door hun gewicht om en vallen er te gelijk mee op den grond.

28. De derde soort zijn de zoogenoemde auerossen, wat kleiner dan olifanten, in gedaante, kleur en lichaamsbouw

  1. Het dier, hier door C, beschreven, zal het rendier zijn.