Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/192

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ZEVENDE BOEK.




Dit boek bevat het verhaal van den Gallischen opstand des jaars 52 v. Chr., onder leiding van den nationalen held Vercingetorix. Weliswaar nam Caesar Avaricum, doch hij werd gedwongen het beleg voor Gergovia op te breken; in vereeniging met Labienus sloeg hij daarna Vercingetorix. Deze wierp zich in Alesia, maar moest zich na de nederlaag van het tot zijn ontzet aangerukte groote leger overgeven.

1. Nadat Gallië tot rust was gekomen, begaf Caesar zich, volgens zijn plan, naar Italië, om de rechtsdagen te houden. Daar werd hij onderricht van den moord op Clodius [1] en kreeg hij kennis van het senaatsbesluit, volgens

  1. Er heerschte in deze dagen te Rome de schromelijkste regeeringloosheid. De gewapende en betaalde benden, wier leiders meestal tot de volkspartij hadden behoord, waren er de eigenlijke meesters. Onder die aanvoerders was Clodius, die in 58 volkstribuun was geweest, de voornaamste. En Pompejus, die, schoon hem, bij de vernieuwing van het driemanschap in 56, de beide Spaansche provincies waren ten deel gevallen, niet naar Spanje vertrokken, maar te Rome gebleven was, waar hij nu zijn macht in het middelpunt van den staat wilde bevestigen, bevorderde eer in 't geheim deze anarchie, dan dat hij haar tegen ging. Hij vleide zich met de hoop, dat de senaat er door genoopt zou worden, hem tot dictator te benoemen. De onlusten bereikten hun toppunt tegen het einde van het jaar 53, toen Clodius