hetwelk de geheele jonge weerbare manschap[1] van Italië onder de wapenen moest worden geroepen en den krijgseed afleggen. Daarom trof hij aanstalten om een lichting in de geheele provincie te houden. In Transalpijnsch Gallië kreeg men spoedig tijding van deze voorvallen. De Galliërs voegden er zelf nog aan toe en verdichtten er door geruchten bij, wat de zaak met zich scheen te brengen, dat Caesar door onlusten in Rome werd teruggehouden en bij zoo groote oneenigheden zich niet naar het leger kon begeven. Daar zij nu reeds vroeger met smart Rome's heerschappij verdroegen, begonnen zij, door deze gunstige gelegenheid verleid, tamelijk vrij en stoutmoedig plannen tot opstand te smeden. De Gallische vorsten hielden in bosschen en afgelegen oorden samenkomsten, klaagden over het terdoodbrengen van Acco, gaven te verstaan, dat ook hen dit lot kon treffen, bejammerden het gemeenschappelijk lot van alle Gallische stammen en vorderden door alle mogelijke beloften en belooningen een ervan op, de vijandelijkheden te openen en met eigen
- ↑ Alle mannen tusschen 17 en 46 jaar.
naar de praetuur en Milo, de woeste partijganger der optimaten, naar het consulaat dong voor het volgende jaar. De keuze had nog niet plaats gehad, toen op een Januaridag van het jaar 52 Clodius en Milo met hun benden elkaar toevallig ontmoetten, en Clodius in een gevecht werd gedood. Deze daad gaf aanleiding tot de bloedigste onlusten. Geheel Rome was ten prooi aan de grootste bandeloosheid. De senaat moest toegeven. Niet langer kon deze hooge vergadering weigeren, het herstel derorde aan één man, bekleed met buitengewone macht, op te dragen. Het vaderland werd in gevaar verklaard en Pompejus onder den naam van,,consul zonder ambtgenoot" feitelijk tot dictator benoemd. Met klem herstelde hij de orde, liet de weerbare manschap in geheel Italië trouw en gehoorzaamheid aan de vaandels zweren, gaf nieuwe en strenge wetten tegen aanwending van geweld en herstelde het aanzien der rechtbanken. Milo werd, in weerwil zijner verdediging door Cicero, in ballingschap gezonden. Zie mijne Gesch. d. Romeinen, 21e hoofdstuk.